Ljosmyndun is fotografie. 21. Droomt van de toekomst.
Wil een Eames Lounge Chair om in te lezen.
Werkt bij Filmfestgent, Wannabes, Sphinx & Schamper.
April 18th
09:51

#Couchsurfboard

 

‘Taxidienst Uber moet stoppen in Brussel’ en ‘Wie toerist laat overnachten, riskeert boete’. Met die twee berichten heeft België zich de voorbije week mooi op de internationale kaart geplaatst.

 

Over het Uber-debat is al veel inkt gevloeid. Soms was dat zinnig, soms onzinnig. Vaak werd met het woord ‘taxidienst’ gegoocheld, alsof het om een bedrijf gaat waarbij er knalgele auto’s rondrijden waar ‘Uber’ op staat, die stoppen op taxiplaatsen en de speciale rijstroken gebruiken waar taxi’s op mogen rijden. Niet dus.

 

Wat – in mijn ogen – nog veel erger is zijn de boetes die je voortaan krijgt als je op een ‘ongereglementeerde manier iemand laat overnachten via sites als couchsurfing of airbnb’. Lees: wie geen vierendertig nooduitgangen, rookmelders, brandblusapparaten, parlofonen en ‘signalisatie van evacuatiewegen’ heeft is gejost.

 

Ja, bij Couchsurfing slaap je niet in een hotel maar bij ‘gewone mensen’ (de horror). Vaak breng je een eigen slaapzak- en matje mee en gebruik je dezelfde badkamer als de mensen bij wie je slaapt. Hier gaat het niet om het comfort, maar om het menselijk contact. Geen onpersoonlijke minibar maar een goedkope fles wijn uit de supermarkt die je met je host leegdrinkt op de Graslei, terwijl je geniet van de ondergaande zon. Je wordt niet wakker in een presidentiële suite, maar – in het beste geval – op een min of meer zachte zetel. Hence the ‘couch’ in ‘couchsurfing’. Je betaalt helemaal niets. Tenzij je vriendelijk bent, dan betaal je (een stuk van) het eten van je gastheer, maar dat moet niet.

 

En het leuke is: geen enkele couchsurfer ligt wakker van dat gebrek aan comfort, integendeel. Zij, wij, de community, zijn een totaal ander publiek dan de mensen die een all inclusive op Benidorm of Sharm-el-Sheikh boeken. De rugzaktoeristen, globetrotters, avonturiers. Het is hetzelfde verhaal als bij de komst van Starbucks in Gent: mensen vreesden dat de lokale koffiezaken zouden sluiten omdat er een ‘goedkoper alternatief’ was. En kijk: Or, Panorama, Mokabon, Simon Says floreren als nooit tevoren, omdat er nog steeds mensen zijn die geld willen neerleggen voor het comfort van goede zetels en de kwaliteit van verse koffie. Ook bij het reizen zijn er verschillende groepen die het begrip ‘kwaliteit’ elk op een eigen manier invullen. Voor sommigen is ‘kwaliteit’ een cocktail aan het zwembad, voor anderen een goed gesprek en een nieuwe vriend. Dus zelfs al had ik het geld om een hotel te boeken, dan deed ik het nog niet omdat de ervaring bij Couchsurfen veel intenser is. Later misschien, als ik grijs, saai en volwassen ben. Al hoop ik stiekem dat ik dat nooit zal worden.

 

Die ene markt van mensen die België komt bezoeken wordt nu in de steek gelaten, door een overvloed aan regelgeving, afkomstig van een regering die geen weg weet met “al die moderne dinges”.

 

Dus sorry Mallory uit de Verenigde Staten, die me leerde waarom mijn verjaardag – 20/4 – zo’n speciale dag in haar land is. Sorry Ruth uit Tasmanië, die met mij en m’n vrienden in de Charlatan stond te dansen tot de zon opkwam en me nog steeds een pak TimTams gaat opsturen. Sorry Sven uit Antwerpen, die op een veel te hard matje bleef slapen na een onvergetelijke nacht op de Gentse Feesten. Sorry Nina uit Duitsland, die me al haar wilde reisverhalen vertelde. Sorry Imke en Sien uit Amsterdam, met wie ik voor het eerst naar ‘Grease’ keek.

 

Als ik jullie voortaan zou hosten hangt me een boete van 250 euro boven het hoofd.

Comments
March 14th
18:34

 

Toen we klein waren kwam het geregeld voor dat papa ons ‘s avonds trots een stuk (spraak)technologie toonde dat hij die dag had gemaakt. Daar stonden we dan, in onze pyjama rond de tafel te kijken naar een laptop die minstens vijf kilo woog. Als we een zin typten las de computer de tekst voor - hilarisch, zo’n digitale stem die zei dat mijn broer een aap was en onze leerkracht stonk.

 

Dankzij de startup waarbij mijn papa werkte - iets met een L en een H - zijn computers voor mij altijd meer geweest dan zielloze machines die 0’en en 1’tjes verwerkten. Nee, tegen een computer kon je een tekst dicteren die nadien netjes vanzelf werd uitgetypt. Tegen een auto kon je zeggen wie je wou bellen, waarna de boordcomputer de rest van het werk deed.

 

Sinds Apple in 2010 Siri aankondigde weten ook kinderen zonder nerdpapa wat spraak- en semantische technologie inhoudt. En na de film Her zullen dat er nog een pak meer zijn. Voor Schamper heb ik een poging gedaan om de nieuwe van Spike Jonze (Where The Wild Things Are, Being John Malkovich) te recenseren (zie hieronder) maar makkelijk was het niet. Wat op het eerste zicht lijkt op het relaas van de meest normcore man op aarde gaat veel dieper - en net dat gevoel is zo moeilijk te vatten. Her zal enorm veel concurrentie hebben van The Grand Budapest Hotel en dreigt zo onterecht over het hoofd te worden gezien. Gaat dat zien, want deze is absoluut de moeite!

 

image

 

"Falling in love is a crazy thing to do. It’s kind of like a form of socially acceptable insanity.” Het had een uitspraak van Phil Bosmans kunnen zijn, maar dat is het niet. De quote komt uit Her, de nieuwste film van Spike Jonze, waarin Theodore (Joaquin Phoenix) verliefd wordt op zijn ‘virtuele, persoonlijke assistente’.

 

“Ha, seks met Siri!” hoor ik je gniffelend denken – en terecht. Snorremans Theodore slijt zijn dagen met het maken van handgeschreven (liefdes)brieven die hij in opdracht schrijft. Als het op liefde aankomt, lijkt hij maar wat aan te modderen. Wanneer hij op een dag een nieuw besturingssysteem installeert, maakt hij kennis met Samantha (de stem van Scarlett Johansson), de virtuele assistente van het systeem die alles lijkt te hebben wat hij in een vrouw zoekt. Behalve een eigen lichaam.

 

Zoals het ware sprookjes betaamt, wordt Theodore – uiteraard – verliefd op Samantha. Toch gaat Her dieper dan de verhaallijn doet vermoeden: Samantha is meer dan een digitale opblaaspop. Nog nooit zag een film over technologie er zo intiem uit. Weg zijn de gelikte, witte robots uit I, Robot. Geen blauw licht dat uit tl-buizen flikkert zoals in Star Trek. Geen angstaanjagende computer zoals HAL 9000 uit 2001: A Space Odyssee. In ruil voor alle geekiness die ontbreekt, krijg je een grote portie sterke vertolkingen, mooie muziek van Arcade Fire en een seksscène die geiler is dan het volledige oeuvre van Lena Dunham en Lars von Trier samen. Zonder ook maar iets te laten zien.

 

Een nerd die verliefd wordt op een stuk ontastbare technologie: dit was een bal die Jonze ofwel loeihard naast kon trappen, ofwel netjes kon binnenkoppen. Wie de moeite neemt dit mooie, integere en bij momenten zeer poëtische portret van een eenzaat te bekijken, zal tot de conclusie komen dat Jonze erin geslaagd is om de bal met een mooie omhaal voorbij de doelman te krullen.

Comments
February 28th
16:47

Beelden van Beel

 

image

 

Wat zou je doen als je plots te horen krijgt dat je rondloopt met een tumor in je hoofd? Wanneer alles wat voorheen zo zeker leek plots onzeker wordt? “Stoppen met school en gaan reizen”, zou de jonge fotografe Luca Beel (1990) antwoorden.

 

En zij kan het weten, want in januari 2011 kwam de Gentse te weten dat ze een tumor had. Goedaardig, dat wel, maar toch. Ze zette meteen haar fotostudie aan het KASK op pauze en trok alleen op reis. Kriskras door Europa, van Macedonië en Israël tot Zweden en Noorwegen. Korte maar intense tochten die vooral veel inspiratie voor foto’s opleverden. Zo veel beeldmateriaal dat Luca binnenkort een expo wijdt aan deze reeks – Recovery – en een andere die ze op vuilnisbelten maakte – Container Constructions.

 

Het zijn zeer uiteenlopende foto’s geworden, zowel op het vlak van onderwerpen als de camera’s waarmee Luca werkte. Een monochroom zelfportret in de douche hangt er naast een foto van een desolaat landschap. Als er al een constante in zit, dan is het dat elk beeld volledig losstaat van de andere. Of niet? “De enige lijn die er voor mij inzit is dat de foto’s mij hebben geholpen bij het proces van verwerken”, vertelt Luca.

 

“Aan het eind van mijn reisdagen was ik steeds doodop – maar op een positieve manier. Een beetje zoals een kind dat de hele dag op het strand heeft mogen spelen, zo voelde ik me telkens wanneer ik ’s avonds uitgeteld in de zetel kroop. Moe maar geïnspireerd door alles wat ik overdag had gezien.”

 

image

 

Wie ‘Beel’ zegt denkt misschien aan Stéphane Beel, de vermaarde architect die onder andere het Universiteitsforum en Museum M ontwierp. Een terechte link, want hij is Luca’s vader. “Ik werk af en toe voor hem en maak ook foto’s voor andere architectenbureaus. Meestal zijn dat freelance opdrachten waarbij ik gebouwen fotografeer voor websites en portfolio’s van die bureaus. Maar op de tentoonstelling zal enkel mijn persoonlijk werk te zien zijn.”

 

Naast Recovery bestaat dat persoonlijk werk ook nog uit een andere reeks: Container Constructions. Minimalistische foto’s waarop Luca vondsten uit het containerpark fotografeerde. Vlakke beelden die ze van bovenaf maakte, een subtiele verwijzing naar de Duitse kunstenaar Kurt Schwitters. “Al maakte Schwitters wel assemblages die hij zelf ineen stak. Ik zag mijn creaties eerder als assemblages trouvés. Het enige wat ik ermee deed was ze fotograferen, de materialen zelf raakte ik niet aan.”

 

“Eigenlijk wil ik nog een derde reeks aan mijn tentoonstelling toevoegen”, zegt Luca terwijl ze naar haar laptop grijpt. Ze toont een paar foto’s van naakte vrouwen die door de manier waarop ze geportretteerd werden – al springend of onder water – niet meer lijken op de persoon die ze zijn. “Maar ik twijfel nog om die reeks te gebruiken, want hij is nog work in progress. Al is alles bij mij work in progress. Ook mijn leven.”

 

image

 

De foto’s van Recovery zullen ook in een atypisch fotoboekje verschijnen dat naar aanleiding van de tentoonstelling verschijnt. Elke bladzijde van het boek zal een postkaart zijn die uit het boek kan gedrukt worden – wie alle foto’s uitduwt krijgt zo in de lege kaders een korte tekst te lezen.

 

De tentoonstelling ‘Acte de Présence’ loopt van 16 maart tot 6 april in Gallery Casa Argentaurum (Brabantdam 68, Gent)

Comments
February 16th
14:45

De ondraaglijke lichtheid van online journalistiek

 

image

 

De afgelopen weken schreef ik enkele stukken over De Correspondent en Blendle, twee initiatieven die werken rond geschreven nieuws in een digitale omgeving. Kan de krant overleven op het internet – en zo ja: in welke vorm? Twee schitterende initiatieven, die allebei in Nederland werden opgericht. Maar hoe zit het in Vlaanderen? Waar loopt het mis?

 

Het beste toonbeeld van wat er misloopt is de online versie van de krant waar ik mee opgroeide: De Standaard. Een krant die zichzelf stoutmoedig ‘kwaliteitskrant’ noemt en naar eigen zeggen “onverantwoord interessant” is.

 

In zekere zin is dat waar. De papieren versie van De Standaard staat vaak vol sterke verhalen, boeiende interviews en prachtige foto’s. De online versie staat daarentegen vaak vol non-nieuws, inhoudelijke onwaarheden, taalfouten en stockfoto’s. Waarom? “De online versie is niet hetzelfde als de papieren versie”, klinkt het. True. Je volledig focussen op je papieren krant en je site stiefmoederlijk behandelen is best acceptabel… als je per toeval met een teletijdmachine in 1997 zou terecht zijn gekomen.

 

“We hebben wel ideeën, maar ons grootste probleem met de website is geld”, zei iemand van De Standaard me. Daar gaf ik hem volkomen gelijk in, maar wel om een andere reden dan hij waarschijnlijk bedoelde. Er verschijnen te veel stukken op De Standaard Online die gericht zijn op één ding: geld binnenbrengen. Bezoekers lokken die in hun ooghoek toevallig een advertentie zouden opmerken. Met een mix van triviale roddels, onnozeligheden en non-nieuws gaat men duidelijk voor de clicks en niet langer voor de kwaliteit.

 

Op korte termijn lijkt dat te werken, vrij goed zelfs, maar wie even verder kijkt dan z’n neus lang is merkt dat dit systeem stilaan is opgebrand. Open de Facebookpagina van De Standaard maar eens en kijk hoe lang het duurt voor je een “IS DIT NIEUWS?!”-comment tegenkomt. Wanneer ze bij De Standaard eindelijk zullen inzien dat advertenties misschien toch niet het ideale businessmodel zijn, zal het kalf al verdronken zijn. Wie zou er in godsnaam nog willen betalen voor hun artikels nadat we eerst vijf jaar overspoeld werden met herkauwde kost die van andere media kwam? Op een niet eens zo mooi vormgegeven site? (Door een irritante achtergrond die is volgepropt met knaloranje leeuwen voel ik eerder de neiging om te kotsen dan een rekening bij ING te openen). De erbarmelijke kwaliteit van het ‘nieuws’ op de site straalt ook af op het algemene imago van de krant – vraag dat maar aan de collega’s van Het Laatste Nieuws.

 

Daarnaast is er ook iemand ooit wakker geworden met het idee dat er ‘iets’ moest gebeuren met de sociale media van De Standaard. Al snel vertaalde zich dat in ‘gewoon aanwezig zijn en links dumpen’. Ooit al een tweet gezien van De Standaard waaruit wat interactie bleek? Desnoods een retweet van een markant bericht? Nee, want die bestaan niet. Ze gebruiken hun kanalen enkel en alleen om artikels te posten. Zeer Web 1.0.

 

image

 

Tot er plots iemand bij De Standaard met een ‘Marketing voor Dummies’-boek afkwam. “We moeten niet alleen likes scoren, maar ook comments, jongens! Mensen uit hun kot lokken om te reageren!”. Dat is – en ik ben voor een keer niet ironisch – een fantastisch inzicht. De mogelijkheden van het internet zijn eindeloos en ik ben blij dat mijn favoriete krant ze grijpt. Beter laat dan nooit. Alleen hoeft het er niet zo vingerdik op te liggen en moet het ook waardevol zijn.

 

Misschien ga ik hier idyllische dromen van mensen kapot trappen, maar De Standaard wil écht niet weten of wij nu Parijs een leukere stad dan Londen vinden en of wij de film van De Kampioenen nu wel of niet hebben gezien. Het enige waar het die gehaaide kerels om te doen is, zijn de likes, shares en comments die ze krijgen. Hoe meer mensen ‘interageren’, hoe harder de kurk op het eind van de maand uit de champagnefles knalt. Als het zo zit kan je evengoed vragen of iedereen even zijn lievelingskleur in het commentaarvak post. Zo zijn de marketingjongens blij en blijft de Facebookpagina van De Standaard het praatcafé dat het nu al is.

 

Nee, neem liever een voorbeeld aan De Correspondent, het Nederlandse nieuwsplatform waar ik op bezoek mocht gaan. Zij zijn eerlijk in hun online communicatie en gebruiken hun lezers bij het doorploegen van (kranten)archieven of het zoeken naar extra informatie. “Honderd lezers die dokter zijn weten samen veel meer dan één reporter die over geneeskunde schrijft”, zei Ernst-Jan Pfauth me. En hij heeft gelijk. Gebruik de hypersnelle technologie voor nuttige dingen en niet om grappige filmpjes van vijf jaar geleden te posten.

 

Wat ik zou doen als ik voor een dag mee mocht denken aan de toekomst van De Standaard Online? De journalisten uit de ratrace halen en ze terug op de zaken laten focussen die er écht toe doen. Geen artikels meer over filmpjes die viral gaan of internethypes. Voor de LOLz gaan we wel naar 9GAG. Een Storify met als titel ‘Twitter over (onderwerp naar keuze)’? De mensen die daar in geïnteresseerd zouden zijn (bestaan die?) zitten zelf op Twitter en zagen alles daar al passeren. Probeer niet mee te gaan in de snelle onzinstroom want het is een strijd die je nooit zal winnen. Laat artikels toch minstens één keer nalezen voor ze worden gepubliceerd.

 

Neem een stap terug en geef meer beschouwingen. Wees eindelijk terug kritisch – de laatste maanden was er dagelijks wel een artikel of twee waarvan de lezers de journalist in kwestie op (grove) inhoudelijke fouten wezen. Luister naar die lezers en neem hen serieus, dan zullen zij hetzelfde doen. De Standaard zit in een luxepositie: aan de reacties op hun Facebookpagina te zien zijn haar lezers op zoek naar duiding, goede en kritische journalistiek die op een degelijke manier is geschreven. En – correct me if I’m wrong – daar willen ze best wel voor betalen. Maar 276 euro voor een digitaal abonnement op De Standaard (in tegenstelling tot 375 voor de papieren versie) is wel veel als je weet dat een groot deel van de kosten net zit in het printen en alles wat daarbij komt kijken. Ga op zoek naar alternatieve inkomsten – kijk naar wat Peter Vandermeersch (nota bene ex-hoofdredacteur van De Standaard) in Nederland doet met NRC Handelsblad en doe hetzelfde. Ontsluit dat prachtige archief en maak het makkelijk bereikbaar. Wees niet alleen op papier maar ook op het net mijn favoriete krant.

 

image

 

Midden 2013 kwam het bericht dat enkele ex-journalisten het plan hadden opgevat om een nieuwsplatform op te richten. NewsMonkey. Ervaren mensen. Best wel slimme mensen. Wouter Verschelden, bijvoorbeeld, maakte een zeer sterke documentaire over online journalistiek. Een nieuwe algemene nieuwssite maken in een vrij klein taalgebied met veel concurrentie is een daad waarvoor ik veel respect heb. Daar heb je ballen voor nodig.

 

Toch verliep (de aanloop naar) de lancering enorm rommelig. In Vlaamse media werd NewsMonkey vaak binnengehaald als ‘de tegenhanger van De Correspondent’, wat door de communicatie van de oprichters – die de vergelijking vaak probeerden te ontwijken – alleen maar vager werd. ‘Vaag’ is misschien het beste woord om NewsMonkey te omschrijven. “Pionier met ons mee!”, klonk het vrolijk voor de lancering. Om de een of andere reden was er een crowdfunding-campagne opgericht die eigenlijk totaal overbodig was (aangezien er al andere, veel grotere, investeerders waren) maar wel heel ‘hip and happening’ was. Wie geld neerlegde kreeg… euh… niets? Buiten de belofte die er op neerkwam dat je geld zou krijgen als er ooit winst was. Ofzo. “Maar hé, pionier met ons mee!”. Waarin het innovatieve nu net zat wist niemand precies, maar het klonk wel tof.

 

Zoals er meer dingen ‘wel tof’ klinken in de marketing van NewsMonkey. Wie niet beter weet lijkt terecht te zijn gekomen in een teambuilding van wat yuppies die met buzzwoorden goochelen. Jongens die net iets te hip willen zijn voor hun leeftijd. Mannen die enkele jaren zijn blijven hangen en denken dat “Keivetgraaf, ket!” het nog steeds doet.

 

En dat is spijtig, want eigenlijk staan er af en toe wel degelijke stukken op NewsMonkey – doorgaans de teksten die door Wouter Verschelden werden geschreven. Degelijke, goed onderbouwde artikels die BAM in één klap weggevaagd worden door een knalrode banner onderaan het stuk. “Vond je dit artikel LOL, FAIL, CUTE of OMG?” klinkt het. Als een kaartenhuisje dat instort wordt het beeld van het artikel compleet aan flarden geschoten.

 

Er zal misschien wel een doelpubliek voor zijn, maar ik ben het niet. Ik wil niet aangesproken worden door mannen in maatpak die mij zien als de ‘Change Generation’ en me ‘leuke, hapklare artikels over mijn leefwereld’ aanbiedt. Die verwoording is trouwens een slag in het gezicht van de lezers, die hiermee worden afgeschilderd als een roedel idioten met een aandachtspanne van vier seconden die geen interesse heeft voor wat er écht gaande is in de wereld.

 

Wat ik zou doen als ik voor een dag mee mocht denken aan de toekomst van NewsMonkey? Grondig nadenken over de richting die NewsMonkey uit moet, want dat is volgens mij nog niet zo veel gebeurd. Het is enorm moeilijk om met een klein en vrij jong team een algemene site te maken die zowel nieuws over de Europese reguleringen als memes, gifs en Vines bevat. Wordt het Monkey of News? Of kan je ze écht allebei aan?

 

image

 

Het marketinggezwets overboord gooien, dat zou ik ook doen. Realistische doelen stellen. In een businessplan dat voor de lancering online stond was er sprake van 20.000 unieke bezoekers per dag in de eerste maand, wat binnen drie jaar zou groeien tot 300.000 dagelijkse unieke bezoekers. Dat is veel – enorm veel, zeker voor een jonge nieuwssite die geen offline tegenhanger heeft (lees: een papieren krant). Om van bij het begin gemiddeld 22.000 dagelijkse unieke bezoekers te halen moet je al enorm viral gaan – ik heb het met mijn blog één dag meegemaakt. Eén. Intussen blijkt uit de eerste cijfers van NewsMonkey dat ze in hun eerste maand dagelijks 12.000 unieke bezoekers haalden en ze voor februari op “15.000 unieke dagelijkse bezoekers hopen”. Waarvoor ik mijn hoed al zou afnemen. Om de een of andere reden verwacht men bij NewsMonkey dat de helft van de bezoekers via online nieuwsbrieven naar de site zal komen. Een tof idee dat in 2002 wel zou gewerkt hebben, maar nu – correct me if I’m wrong – waarschijnlijk niet meer. Tenzij mijn vrienden en familie echt de enige jongeren op aarde zijn die niet meer dagelijks op alle nieuwsbrieven in hun inbox gaan klikken om die volledig te lezen en daarna nog eens doorklikken naar stukken die hun interessant lijken.

 

En het allerbelangrijkste: wees origineel. Momenteel is NewsMonkey het eerste crowdfunded vertaalbureau ter wereld – op zich ook best innovatief. Teksten van Buzzfeed en andere sites worden vaak klakkeloos overgenomen zonder naar de oorspronkelijke bron te verwijzen, in sommige gevallen wordt een tekst zelfs volledig vermassacreerd. Met een beperkt budget grappige en originele dingen maken kan, kijk maar naar de projecten van VRT Start-UP (OpenVRT, Sambal, NinjaNieuws…).

 

Als dan toch zou besloten worden om het aantal bezoekers als enige maatstaf te nemen, ga dan all the way. Toen ik onlangs in Amsterdam was heb ik de back end van Upcoming gezien, de Nederlandse BuzzFeed/NewsMonkey. Ik heb als het ware de motorkap opgetild om te kijken hoe de auto precies rijdt. Zij kunnen vliegensvlug inhaken op wat NU populair is. Hebben een overzicht van welke coverfoto’s het op dit moment goed doen zodat ze die in één vingerklik kunnen veranderen. Kunnen minuut per minuut zien hoeveel interactie een post op social media oplevert, zodat die net na zijn hoogtepunt kan vervangen worden door weer een nieuw stuk en de auto blijft rijden.

 

Toen mijn papa me vroeg “waarom ik me toch zo opwond in wat die gasten deden” kaatste ik de bal terug. “Jij werkt al je hele leven met spraaktechnologie. Wat zou er gebeuren moest er nu iemand met de beste intenties een nieuw project willen oprichten rond die technologie? Iemand die in Vlaanderen op zoek gaat naar investeerders, desnoods via crowdfunding? Die persoon zou uitgelachen worden. “Jaja, nog zo enen die denkt de wereld te kunnen veranderen, we kennen dat”, zullen ze zeggen. Enkel en alleen omdat er ooit een paar mannen waren die met verkeerde intenties hadden gehandeld. Die evengoed knikkers hadden kunnen verkopen en niet met hart en ziel werkten maar in the game zaten voor het geld. Daarom ben ik ook boos en verdrietig wanneer ik pure bullshit lees op een nieuwssite.”

 

Het goede nieuws is dat Wouter Verschelden met ‘Stop De Persen’ heeft getoond dat hij echt alle respect verdient. Misschien moet hij zijn eigen documentaire nog eens herbekijken – ik heb hem intussen al een keer of drie gezien. Een van de meest interessantste quotes komt van een man die bezig is met bezoekersstatistieken. Nota bene hij is het die op een bepaald moment zegt dat “de toekomst van online journalistiek niet langer zit in de clicks maar in een fanbase die op verschillende manieren geld oplevert. Voortaan moet je niet meer streven naar zo veel mogelijk bezoekers, maar zorgen voor een trouw publiek dat houdt van wat je doet en terugkeert.”

 

Sommigen hebben dat al begrepen. De Correspondent, bijvoorbeeld, en Enola. Nu de rest nog.

Comments
February 15th
13:37

De Standaard: ‘Waar gehakt wordt, vallen spaanders’

 

DISCLAIMER: Dit stuk heb ik niet zelf geschreven. Het is een artikel dat vandaag in de papieren versie van De Standaard staat en ik niet kan delen met mijn vrienden zonder dat ze daarvoor een of ander abonnement op De Standaard Online moeten nemen, want een artikel per stuk kopen kan (nog) niet. Het is een artikel dat geschreven werd door journaliste Hilde Van den Eynde. Als ik de mensen van De Standaard hierdoor vijf euro inkomsten heb laten mislopen wil ik die gerust opsturen, want dit onderbouwd stuk in een debat vol emotie en hypocrisie is die vijf euro meer dan waard

 

image

 

De publieke verontwaardiging over de dood van een Deens giraffenjong, en straks misschien een tweede, is begrijpelijk. Is ze ook terecht? Daar valt wel wat op af te dingen.

 

Misschien waren al die protesterende mensen gewoon verliefd. Verliefd op zijn aandoenlijke bruine kijkers, zijn lange krullende wimpers en zijn getuite lippen. De gedachte dat die lippen in de ochtend van negen februari van drie meter hoog met zijn lievelingskostje (een roggebrood) naar beneden zijn gelokt, zodat de dierenarts een pistool tegen zijn hersenen kon plaatsen, moet voor de fans van Marius ondraaglijk zijn.

 

Maar had hun protest ook zo luid geklonken als de anderhalfjarige giraf een middeljarige aasgier was geweest, of een geschubde armadillo, of een drie meter lange gifslang?

 

De discussie is niet te winnen

Mensen die door emoties worden overspoeld, laten zich met rationele argumenten niet overtuigen. Daarom beperkte de dierentuin van Antwerpen, die de afgelopen week de nodige haatmails naar aanleiding van de affaire ontving, zich tot de publicatie van zijn standpunt (‘wij zouden dit nooit doen’) op Facebook. Tot een discussie liet de zoo zich niet verleiden.

 

Maar eigenlijk verdient de zoo van Kopenhagen hulde in plaats van hoon. Ook al kon hij de discussie die op emoties is gebaseerd was nooit winnen, hij gaf voorrang aan de ratio en legde uit waarom Marius de kogel zou krijgen en aan de leeuwen zou worden gevoerd.

 

Elk jaar worden in dierentuinen gezonde dieren afgemaakt, omdat ze niet meer in het totaalplan passen. Marius’ lot deelden de voorbije jaren twee luipaardjongen, drie Siberische tijgers en vijf andere giraffen – in Kopenhagen en elders. En honderden, zoniet duizenden, minder aaibare dieren. Meestal zwijgen dierentuindirecties daar in alle talen over – de Denen verkozen transparantie boven hypocrisie.

 

Aan het eind van de dag moet de kassa kloppen

Marius was een stierkalf. Als een jonge mannetjesgiraf seksueel volwassen wordt, moet hij weg uit de familiegroep om inteelt te voorkomen.

 

De directie van de Kopenhaagse dierentuin had Marius in een apart verblijf kunnen onderbrengen, ver bij zijn moeder en zusters uit de buurt. Alleen had dat plaats en geld gekost, allebei zaken waar dierentuinen doorgaans geen teveel aan hebben.

 

Dierentuindirecties moeten schipperen tussen wetenschappelijke, publieke en commerciële belangen. Behalve het welzijn van hun dieren, moeten ze ook hun verdienmodel in de gaten houden. Botsen die twee, dan kunnen ze daar maar beter transparant over communiceren.

 

image

 

Het mag geen naam hebben

Duizenden mensen ondertekenden een petitie waarin om het leven van het giraffenkalf werd gesmeekt. Maar hoevelen van hen zullen de avond nadat ze hun handtekening hadden gezet, met smaak een kalfslapje hebben verorberd?

 

Het is de Disneyficering van de natuur: mensen geven dieren een naam en dichten hen een karakter toe. Een varken dat naar de slacht gaat, draagt een nummer. Zijn vlees op ons bord heeft geen naam en geen gezicht. Maar Marius heette Marius, al was dat eigenlijk per ongeluk. Om de personificatie van zijn kostgangers tegen te gaan, geeft de zoo van Kopenhagen zijn dieren geen namen, enkel nummers. Maar de verzorgers van het giraffenverblijf hadden het kalfje toch een naam gegeven, die bij het publiek is gaan leven.

 

Ook de leeuw moet leven

Het is bekend, ook onder dierenliefhebbers uit de stad, dat een leeuw niet leeft van appels die vrijwillig van de boom naar beneden vallen. In elke dierentuin krijgen roofdieren brokken vlees toegeworpen, al zit daar doorgaans geen giraffenprint meer op.

 

Door Marius met een slachtmasker te doden in plaats van hem met ‘een spuitje’ aan zijn eind te helpen, verkoos de Zoo van Kopenhagen om ‘tweehonderd kilogram gezond vlees’ nuttig gebruiken. Het alternatief zou ánder slachtvlees zijn geweest, van anonieme runderen, paarden, kippen en konijnen, met dat doel gekweekt en geslacht. In het verborgene, zonder dat het publiek zijn slaap erover hoefde te laten.

 

Geslachte kostgangers aan de roofdieren voeren, is een zeldzame keuze in een dierentuin. In België is het zelfs gewoon verboden. Kadavers van (ge)dode dierentuindieren moeten hier worden afgevoerd naar het vilbeluik, tenzij een universiteit ze wil gebruiken voor onderzoek.

 

De postzegelverzameling voorbij

In de negentiende eeuw waren dierentuinen postzegelverzamelingen: collecties van zoveel mogelijk exotische soorten waaraan de burgerij zich kwam vergapen. De voorbije eeuw is die taakomschrijving gaan schuiven. Bezoekers krijgen de wilde beesten nu niet enkel te zien, maar worden ook over hun levenswijze en hun leefgebied geinformeerd, over de bedreigingen in het wild gesensibiliseerd, bij het behoud van de soort betrokken.

Scandinavische dierentuinen vullen de informatiebehoefte van het publiek nog breder en ook nuchterder in dan hun zuidelijker collega’s. Moet een dier dood, dan zeggen ze dat, en leggen ze uit waarom.

 

De anatomische les van dokter Mads

Die informatiebehoefte wordt ook op andere manieren ingevuld. Openbare lijkschouwingen op (ge)dode dieren zijn in Scandinavië geen uitzondering, en zeer populair. Voor Marius had Kopenhagen al antilopes, slangen en zebra’s voor een talrijk opgedaagd publiek uit elkaar gehaald.

 

Best leerzaam, vindt men zo’n openbare dissectie in het koele noorden. Want hoe vaak krijg je de kans om te zien hoe groot de hersenen van een giraf zijn? Dierenarts Mads Bertelsen, microfoontje boven de witte jas, vertelde de kijklustigen afgelopen weekend welke organen hij achtereenvolgens uit Marius tevoorschijn haalde en hield diens hart, lever, milt en ellenlange luchtpijp voor ze omhoog.

 

Dat Marius en plein public werd gevild uitgebeend, ‘terwijl er kinderen op stonden te kijken’, is overigens een verkeerde voorstelling van zaken. Zijn lichaam werd niet voor het giraffenverblijf versneden maar in een afgescheiden deel van de zoo, zodat geen toevallige passanten ermee geconfronteerd werden. Bezoekers die kwamen kijken en hun kinderen meebrachten, wisten waaraan ze begonnen.

 

image

 

 

De pil of de kogel

Had de zoo van Kopenhagen de moeder van Marius niet op de pil kunnen zetten? Dan was het girafje nooit geboren en had het niet afgemaakt hoeven te worden. Of had Marius niet gecastreerd kunnen worden?

 

Ja en nee. Het hangt af van de keuzes die een dierentuin maakt. Laat hij zijn dieren toe om natuurlijk gedrag te vertonen? Dan horen voortplanting en de zorg voor jongen daarbij, en zullen er kalfjes komen volgens dezelfde intervallen als in het wild. Dat een zoo die dan op een gegeven moment moet afmaken omdat er geen ruimte meer voor ze is, is de keerzijde van de medaille.

 

Opteert een dierentuin voor voorbehoedsmiddelen en/of castratie en toont hij zijn publiek enkel volwassen dieren? Dan ontneemt hij volwassen dieren wezenlijke onderdelen van hun natuurlijke gedrag, zoals de balts en de ouderzorg. De postzegelverzameling komt dan algauw weer om de hoek kijken.

 

Vergeet voorts niet dat jonge dieren voor dierentuinen grote publiekstrekkers zijn – denk aan de zoo van Antwerpen en Kai-Mook. En giraffen castreren is makkelijker gezegd dan gedaan: als ze omvallen onder narcose, breken ze licht hun nek.

 

De natuur is geen Disneyland

Om zichzelf bestaansrecht te verlenen, doen dierentuinen graag mee aan kweekprogramma’s. Daarin wordt geprobeerd om de verzameling genen van in gevangenschap gehouden dieren zo intact mogelijk te bewaren – een hedendaagse manier van postzegels verzamelen, zo u wil.

 

Dat houdt in dat enkel wordt gekweekt met dieren die zeldzame genen in zich dragen. Die had Marius niet, en dat maakte hem tot een postzegel die niemand ruilen wilde.

 

Vroeger werden kweekprogramma’s ook opgezet in de hoop dieren weer in het wild te kunnen uitzetten. Daar hoor je dierentuinen tegenwoordig niet vaak meer over. De echte bedreiging voor diersoorten zijn de inkrimping van hun leefgebieden en stroperij, niet een gebrek aan nageslacht.

 

En die watjes van dierentuinbeesten zijn uiteraard ook geen partij voor de wilde natuur. Door Marius uit te zetten in het wild, zou de dierentuin hem pas echt voor de leeuwen hebben gegooid.

 

Er komt trouwens wellicht een vervolg op de heisa over Marius, nu ook de dierentuin van Jylland een mannetjesgiraf op overschot heeft. De zoo gaat aan het Europese kweekprogramma deelnemen en mag binnenkort een wijfjesgiraf verwelkomen. Dan zal er ook voor deze Marius geen plaats meer zijn in de stal.

 

Geenhappy end

De slotsom? Een dierentuin runnen is business, en een andere soort business dan een Disneyfilm draaien waarin altijd alles op een happy end uitdraait. Rationeel valt er weinig aan te merken op de manier waarop de zoo van Kopenhagen zich van Marius heeft ontdaan – al werd het op public-relationsvlak een drama. Als Kopenhagen Marius niet aan de leeuwen hadden gevoerd, dan was het een paard uit het slachthuis geweest, zei in Der Spiegel directeur Bengt Holst, die de hele voorbije week blijk gaf van verbazend veel ruggengraat. ‘En dan zouden we het óók hebben gezegd. We gaan de herkomst van zo’n vlees niet geheim houden, en ook niet het leven en de dood.’

 

Waar gehakt wordt, vallen spaanders. Wie het daar moeilijk mee heeft, ijvert wellicht beter voor de sluiting van dierentuinen dan tegen het afmaken van de dieren die er in gevangenschap worden gehouden. Want dat laatste bestrijdt enkel de symptomen van de ziekte, niet de oorzaak.

Comments
February 11th
16:18
Suomenlinna, Helsinki, 2014

Suomenlinna, Helsinki, 2014

Comments
February 7th
16:40

 

Zo rond de jaarwisseling publiceren heel wat bureaus - waaronder het Belgische web agency Wijs - een trendrapport. Serieuze mannen en vrouwen blikken vooruit op de trend(s) voor het komende jaar en schrijven daar dan een stuk over. Heel cool en boeiend, ware het niet dat er amper jongeren aan bod komen in die rapporten. Oude mensen die schrijven over wat jonge mensen willen, dat klinkt wat raar.

 

Intussen is in Nederland en Vlaanderen een community van jongeren ontstaan die heel goed weet wat ze wil: Young Creators. Een groep jonge ‘ondernemers’ in de breedste zin van het woord. Robert (20) en Bastiaan (17), bijvoorbeeld, richtten vorig jaar een webshop voor houten zonnebrillen op, waarmee ze op zeer korte tijd evenveel winst maakten als het jaarloon van de gemiddelde Vlaming. Onlangs mocht Bastiaan zelfs bij Neelie Kroes op bezoek om er te praten over hoe de Europese Unie jongeren met een droom nog meer kan helpen. David Zakariaie is zo’n jongere. Hij is net als Bastiaan zeventien en komt uit de Verenigde Staten. Een heel schuchtere jongen, tot hij zijn Google Glass opzet en begint te praten over Glassic, zijn startup. Hij programmeert apps voor de Glass en vliegt op kosten van Google naar de andere kant van de wereld om te leren en inspireren. Tussen het studeren door.

 

Samen met enkele Young Creators heb ik een eigen trendrapport gemaakt, al hebben we het liever over ‘een bundeling van enkele visies’. Een rapport klinkt te muf, hoogdravend en geeft het gevoel dat het om dé stem van dé generatie zou gaan. En die bestaat niet.

 

De Young Creators komen geregeld samen om ervaringen en tips te delen. Vorige week bijvoorbeeld, toen we in het hoofdkantoor van *Bliep enkele inspirerende sprekers op bezoek hadden: YouTube-helden Cinemates en Bertrand Carette, tot kort copywriter voor de Franse divisie van Apple. Een heel boeiende man die oneliners afvuurt aan een tempo waar zelfs Lucky Luke zijn cowboyhoed voor afneemt. In de compilatievideo hierboven duik ik rond 0:39 ook heel kort op om de bedoeling van ons project nog eens toe te lichten.

 

 

Een kleine maand later kunnen we terecht trots zijn op het resultaat. De gemiddelde leeftijd van de mensen die de stukken schreven ligt volgens mij op 17 jaar - die Young staat niet voor niets in onze naam. Naast de schrijvers hebben nog twee andere mensen ontzettend straf werk geleverd: designer Thomas Vanhuyse ontwierp voor ons een unieke afbeelding waarin enkele thema’s uit het project aan bod komen. Thomas zit trouwens ook op Tumblr en kan je hier volgen. Doen! Daarnaast maakte Robert Van Hoesel op zeer korte tijd een website waarop alle teksten worden gepubliceerd. High five!

 


Het resultaat van het YC Vision-project kan je hier bekijken

Comments
February 4th
18:11

Generatie Morgen: Raspberry & Rouge

 

image

 

Iedere zomer pakt Focus Knack uit met haar ‘Generatie Nu’-reeks, waarin topjournalist Geert Zagers wekelijks op zoek gaat naar creatief talent in verschillende kunstvormen. Ik heb voorlopig nog iets minder schrijftalent dan Geert en een job bij Focus Knack is ook nog niet voor meteen, maar dat weerhoudt mij er niet van om gewoon zelf een aantal creatievelingen in de spotlights te plaatsen. Onder de noemer ‘Generatie Morgen’ probeer ik maandelijks zo’n stukje te schrijven. Zo trok ik onder andere naar fotograaf Anton Coene, topmodel Lisa Verberght en de radioshow Glimworm. Deze maand is Rebecca Laurey aan de beurt.

 

Het is half tien wanneer je zacht wordt gewekt door zonnestralen die neerdwarrelen door een dun gordijn. Terwijl de wereld al druk in de weer is woel je nog even onder de donsdekens in je kingsize bed tot je vriend de kamer binnenkomt. Op een houten dienblad heeft hij een versgeperste smoothie, twee sneden lijnzaadbrood en je favoriete magazine gelegd. Eén klik later kunnen duizenden mensen wereldwijd meegenieten van je heerlijk ontwaken. Intussen stromen enkele mails binnen waarin je wordt uitgenodigd voor fantastische evenementen en collabs met merken waar je als kind van droomde. Je bent een modeblogster.

 

Of zo stel ik me het leven als modeblogster voor. Maar is het gras altijd groener op Instagram? Wie het droomleven van bloggers als Betty Autier, Andy Torres en Chiara Ferragni volgt krijgt spontaan zin om zelf met een modeblog te beginnen – wat velen ook proberen. Een beetje dezelfde jaloezie die bij sommigen opborrelt wanneer blijkt dat een moderne kunstenaar miljoenen verdiende met een werk dat “mijn kleine zus van vier ook kan maken”. En zo komt het dat een gigantische hoek van het internet gevuld is met blogs die draaien rond personal style: vrouwen die dagelijks foto’s van hun outfit posten.

 

Ik ken niets van mode maar heb veel respect voor de blogsters die op een creatieve manier werken en niet enkel een sell-out willen zijn. Vrouwen van wie de blog niet vol staat met schreeuwerige banners en die liefst meer dan één regeltje tekst typen bij de foto’s van hun stijl. Zo zijn er maar weinig.

 

image

 

Eén van hen is Rebecca Laurey, met wie ik op een koude maandagochtend in Amsterdam heb afgesproken. Tot voor kort werkte ze nog bij een kledinglabel, waarvoor ze events en beurzen organiseerde. Een job waarvoor velen een moord zouden plegen, maar waar Rebecca uiteindelijk mee stopte. “Ik wou mij kunnen richten op zowel het product als de styling. Daarom ben ik drie jaar geleden met mijn blog Raspberry & Rouge begonnen, die nu een fulltime job is geworden.”

 

De concurrentie tussen de blogs is hard en is de laatste jaren alleen maar toegenomen. Al vanaf het begin had de blog van Rebecca een hoog niveau, waardoor ze langzaam tot een gevestigde waarde groeide, “al ben ik ook begonnen door net als andere meisjes te commenten op grote blogs in de hoop meer lezers te krijgen”, zegt ze lachend. Enkele jaren later zijn de rollen omgedraaid en zijn het nu haar posts die worden overspoeld met meisjes die haar vragen of ze “heel even hun blog wil checken”.

 

“Ondanks die concurrentie heb ik me eigenlijk zo min mogelijk aan de rest gespiegeld”, zegt Rebecca. “Door anderen te imiteren zou ik me niet voordoen zoals ik echt ben en dat is niet wat ik wil”. Omdat ik zelf geen grondig oordeel over haar stijl kan vellen vroeg ik mijn achternicht Ottelien om voor mij samen te vatten waarom Raspberry & Rouge ook voor modeliefhebbers zo boeiend is. Volgens Ottelien zit de kracht in het feit dat ze niet enkel basic stukken draagt, mijn vriendin is dan weer fan van de Scandinavische inspiratie.

 

Rebecca drinkt wat van het fruitsap dat voor haar staat en vervolgt het gesprek. “Zelf zie ik mijn stijl als Noord-Europees, zeer minimalistisch en zonder schreeuwerige prints”. Terwijl ze het zegt bekijk ik de outfit die ze aanheeft – prachtige zwarte kleren die me doen denken aan Finland. “Eigenlijk hou ik wel van zwart en eenvoud. Sommige mensen zeggen dat het eerder lui en gemakkelijk design is, maar volgens mij is het net veel moeilijker om creatief te zijn met monotone kleuren dan met kledingstukken in een opvallende kleur.”

 

“Merken vragen me vaak of ze me ‘iets’ kunnen opsturen. Het liefst kies ik zelf iets uit hun collectie zodat ik zeker ben dat het bij mijn stijl past. Soms willen labels je verrassen door zelf iets op te sturen maar dat kan fout uitdraaien, en dat is zonde van het geld.”

 

image

 

Bij modeblogs draait alles rond het visuele aspect. Een bewijs daarvan is het Instagram-account van Rebecca, dat door meer dan dertigduizend mensen wordt gevolgd. “Ik merk dat ik daar vreemd genoeg het meeste interactie krijg op foto’s die niet zo veel met kleren hebben te maken. Foto’s van eten, bijvoorbeeld, of van Amsterdam. Het is een tool die steeds belangrijker wordt, ook bij samenwerkingen met modelabels”, zegt ze daarover. Wie weet zal de nieuwe generatie fashionbloggers geen eigen blog meer hebben maar volledig steunen op Instagram, zoals bij bekende Vine’ers als Jerome Jarre het geval is.

 

“Constant met foto’s van jezelf bezig zijn voelt ook maar raar”, zegt Rebecca lachend, “daarom doe ik ook zaken naast mijn eigen blog”. Zo houdt ze zich onder andere bezig met de content management van haar vriend, die dj is. Soms gaat Rebecca mee als hij gaat touren, waardoor ze af en toe shoots kan doen op unieke locaties. “Teksten schrijven voor zijn site en social media is iets anders dan mijn eigen blog, waar het voornamelijk om de foto’s draait”, klinkt het.

 

Eigenlijks is Rebecca geschiedkundige van opleiding – ze studeerde af in de Amerikaanse Geschiedenis. Wie een grote blog runt moet wel slim en efficiënt zijn, want vanaf een bepaald punt gaan ook zakelijke aspecten meespelen. “Ik heb er ook regelmatig ’s nachts wakker van gelegen, maar nu kan ik mijn brood verdienen met hetgeen ik het liefste doe”. Sinds kort heeft ze een agent in dienst die de advertenties voor haar regelt, waardoor ze zich minder om het zakelijke deel hoeft te bekommeren. 

 

image

 

Plots gaat Rebecca’s telefoon. “Mijn vriend”, zegt ze verontschuldigend. “Straks gaan we foto’s maken voor de blogpost van morgen, het weer is ideaal vandaag. Hier in Noord-Europa regent het zo vaak, als de zon dan eens meewerkt doen we vaak meerdere fotosessies op een dag”. Zo’n shoot duurt doorgaans een kwartier, waarna Rebecca een aantal geselecteerde beelden bewerkt.

 

Of mijn idealistische visie op het modebloggen ook klopt, vraag ik Rebecca wanneer ons gesprek bijna voorbij is. “Voor een deel wel, ja. Het is voor mij perfect mogelijk om van thuis uit te werken, maar misschien is het handiger als ik binnenkort eens zoek naar een kantoor om zo werk en privé wat gescheiden te houden. Een groot deel van mijn job kruipt in het beantwoorden van mails maar ik doe het ontzettend graag. Voor zolang het duurt, want ooit zal het voorbij zijn.”

Comments
February 1st
11:21

Will It Blendle?

 

 

Instemmend gelach weerklinkt rond de beroemdste rode tafel van Nederland. Jort Kelder, zoals steeds voorzien van een wit hemd en bretellen, strijkt zijn haren naar achter en glimlacht. Hij is te gast in De Wereld Draait Door, een populair tv-programma bij onze noorderburen. In het publiek zit een jongen van een jaar of twintig die stage loopt bij 925.nl, de site waar Kelder hoofdredacteur van is. Hij ergert zich wat, niet aan zijn baas maar aan de items die de revue passeren. Na de uitzending klampt hij een van de programmamakers aan. Hoe het komt dat er zo weinig over technologie wordt gepraat in DWDD, vraagt hij. Over de iPad, bijvoorbeeld, die later op de week zou worden voorgesteld.

 

Naargelang de persoon die deze anekdote vertelt wordt het verhaal sappiger en worden elementen toegevoegd of net weggelaten. De uitkomst is steeds dezelfde: de redactie van de meest populaire talkshow van Nederland was gecharmeerd door de jonge gast en bood hem aan om gewoon zelf over de iPad te komen praten. Alexander Klöpping heet hij.

 

Een paar jaar later is Alexander de god van vele nerds en geeks geworden. Hij komt geregeld op televisie waar hij vol enthousiasme en op een heel toegankelijke manier praat over de nieuwste gadgets en technologische ontwikkelingen. Als er iemand is die mijn moeder drie uur kan boeien met een documentaire over Silicon Valley, dan is hij het wel. Dankzij zijn 150.000 volgers op Twitter is hij een moderne Koning Midas geworden, bij wie alles wat hij aanraakt verandert in likes, shares en retweets.

 

 

Eind december mailde ik Alexander om hem te vertellen dat ik opnieuw naar Amsterdam zou gaan, waarna hij me uitnodigde om eens langs te komen op het kantoor van Blendle, zijn startup. “Op 31 januari? Wat later op de dag in Utrecht, lijkt me leuk”, klonk het.

 

Weken gingen voorbij en vlak voor ik mijn reis naar Amsterdam aanvatte merkte ik dat we geen concreet uur hadden afgesproken. Ik stuurde hem een mail. Wachtte af. Zag Alexander af en toe online komen en weer weggaan. Wachtte nog langer. Donderdagavond stuurde ik nog een bericht, waarbij ik lang nadacht over een geschikte formulering. Luchtig, maar ook niet té. To the point, maar ook niet droog. Weer dat afwachten.

 

Was dit het? Was ik naar Amsterdam gekomen om mijn gesprek last-minute in het water te zien vallen? Nog een mail sturen ging te opdringerig zijn, een tweet al helemaal. Ik maakte gebruik van mijn allerlaatste optie: een mail sturen naar Marten Blankesteijn, een collega van Alexander, en legde de situatie uit. Nu had ik al het mogelijke gedaan en kon ik mezelf niets meer verwijten. Tien minuten later prijkte al een antwoord in mijn inbox. Op naar Utrecht!

 

 

De startup van Alexander en Marten heet Blendle en belooft een soort iTunes voor nieuwsartikelen te worden. Voor een klein bedrag kan je er losse artikelen kopen van verschillende kranten en magazines. Volgens sommigen het gat in de markt, of toch minstens een innovatie die ze een warm hart toedragen.

 

Trots toont Alexander me het platform dat ze in maart zullen lanceren. Voorlopig gaat het om een beta-versie die deze week werd voorgesteld aan een handvol Nederlanders die een houten sleutel met een toegangscode kregen. Op basis van hun feedback wordt Blendle de komende maand nog aangepast en worden er nieuwe kranten geïmplementeerd, waarna de duizenden mensen die momenteel in een virtuele wachtrij staan ook op het platform kunnen.

 

Wie momenteel al toegang heeft tot Blendle en naar de site surft komt terecht op een overzicht van alle grote Nederlandse kranten die je virtueel kan doorbladeren. Het Parool, bijvoorbeeld, en NRC Handelsblad, de krant waar Peter Vandermeersch aan het hoofd staat. Wil je een artikel lezen dan koop je het door er op te klikken, zonder dat je daarvoor telkens naar die irritante bankkaartlezer moet zoeken. De lay-out van het artikel is aangepast aan de huisstijl van de krant in kwestie, zo heeft de ene kop zeer statige letters terwijl een andere net heel modern oogt.

 

De goedkoopste stukken kosten ongeveer tien cent, de langere stukken iets meer. Prijzen die de uitgeverijen hebben vastgelegd, al zegt Alexander dat die in de toekomst misschien anders kunnen zijn. “Sommige dingen zijn voor de een meer waard dan voor de ander. Wat zou de prijs kunnen zijn van een interessant stuk uit het archief? Of van een artikel dat helemaal aansluit bij je interesses? Het is voor ons ook wat aftasten aangezien dit nog niet zo vaak is gedaan”.

 

Naast kranten staan ook al enkele magazines in de virtuele etalage. Voorlopig enkel Nederlandse uitgaven maar daar zouden binnenkort ook Vlaamse edities bij kunnen komen – al wordt er voor de lancering in eerste instantie voor gezorgd dat er zo veel mogelijk Nederlandse partners zijn.

 

 

Een populair YouTube-kanaal test alle nieuwe gadgets door ze in een blender te steken. Onder het motto 'Will it blend?” wordt gekeken of de toestellen opgewassen zijn tegen gevaren – de mixer dus. Ook voor het concept van Alexander kan ik de vraag stellen. Will it Blendle? Maakt het project een kans?

 

Als je het mij vraagt: zeker. Ik wil niet betalen voor iets dat ik maar voor de helft gebruik of lees. Waarom zouden we voor een volledige krant betalen als we net geïnteresseerd zijn in die ene goeie column of dat interessante artikel over ons favoriete onderwerp? Pay for what you want is een formule die ook in andere sectoren aanslaat, kijk maar naar *Bliep. Waarom zou je voor een volledige maand beltegoed betalen als er ook dagen zijn waarop je enkel via Wi-Fi surft en niet belt?

 

“Ik vind het normaal dat goede journalistiek nog steeds geld kost. In dit stuk, bijvoorbeeld, is waarschijnlijk weken werk gekropen en die research heeft minstens een paar honderd euro gekost”, zegt Alexander terwijl hij een lang artikel aanklikt. Informatie op zich is gratis, het is de meerwaarde die je moet overhalen te betalen. Willen kranten bijvoorbeeld een extra video toevoegen aan een artikel in Blendle, dan kan dat. Ze zouden ook naar bronnen kunnen linken, wat in een papieren krant niet kan.

 

Met Mediargus – de online databank van de Vlaamse journalistiek – hebben we eigenlijk al een soort Blendle in huis, maar wel eentje die in het niets verzinkt bij het project van Alexander & Co. Zo oogt Mediargus als een site die gemaakt is door je buurman die er net zijn initiatiecursus Windows 95 heeft opzitten. En hoewel er veel geld in werd gepompt is het platform totaal niet bekend. Wie weet er bijvoorbeeld dat er heel wat legale manieren zijn om helemaal gratis online in de Vlaamse kranten(archieven) te grasduinen? Niemand.

 

Maar het allerbelangrijkste verschil is de sociale laag die Blendle heeft. Het komt vaak voor dat op Twitter wordt verwezen naar een steengoed interview in De Morgen of De Tijd, twee kranten die ik normaal niet lees. Moet ik dan naar de winkel rennen om de volledige krant te kopen? Op Blendle kan je – net als op Twitter - ook mensen volgen. Wanneer zij een artikel boeiend vinden kunnen ze heel kort samenvatten waarom precies en het aanraden aan hun volgers. Al deze tips komen in je feed terecht of kan je delen op sociale media. Welke stukken over sport vindt Karl Vannieuwkerke de moeite? Of van welke interviews met schrijvers gaat Maarten Inghels' kuif rechtop staan?

 

Will it Blendle? The answer is yes.

 

Dit stuk is het tweede in een reeksje over digitale journalistiek. Eerder ging ik al op bezoek bij De Correspondent, een initiatief van Rob Wijnberg en Ernst-Jan Pfauth. Het verslag daarvan kan je hier lezen.

Comments
January 29th
16:33

 

29 januari 2002, 6u30. Ergens in Vlaanderen gaat een wekker af en wandelt een jongen van tien voorzichtig de trap af. Stilletjes opent hij een lade om er de sleutel van de brievenbus uit te halen. Buiten haalt hij met glunderende ogen zijn buit uit de blikken doos, om hem daarna uit te spreiden op de tafel in de woonkamer. Zijn Krant. Een goede zestigtal papieren vellen die hij van voor naar achter en van achter naar voor leest, of dat op zijn minst probeert. Eigenlijk staan er best wel veel woorden in die hij nog niet begrijpt, maar dat bederft de leespret niet. Niet veel later zal zijn moeder ook opstaan en meewarig haar hoofd schudden wanneer ze hem bezig ziet, maar dat zal hij niet merken. Te diep verzonken in die krant.

 

29 januari 2014, 8u30. De tijd waarin de jongen expres een uur vroeger opstond om de krant te lezen is al even voorbij. Inmiddels is hij een jonge twintiger geworden, die bij het opstaan meteen naar zijn smartphone grijpt. Op Twitter en Facebook baant hij zich een weg tussen de links die zijn vrienden hebben gepost. Pas wanneer hij die heeft gelezen neemt hij de moeite om eens te surfen naar de website van de krant waarvoor hij vroeger zijn wekker zette.

 

Die jongen, dat ben ik. Geen idee wanneer de band met mijn krant werd doorbroken maar het is een gegeven dat me niet loslaat. Hoe kan journalistiek overleven in het digitale tijdperk? En in welke vorm? In mijn studies Nieuwe Media wordt af en toe oppervlakkig ingegaan op trends en ontwikkelingen in het vakgebied, maar om zelf antwoorden op mijn vragen te vinden trek ik naar Amsterdam. Daar ga ik op bezoek bij een van de boeiendste journalistieke projecten van de voorbije jaren: De Correspondent.

 

 

Twee jaar geleden plaatste de Nederlandse blogger Ernst-Jan Pfauth een mini-manifest online. In een bondig stuk schreef hij neer wat een krant of nieuwsdienst volgens hem moet zijn en doen. Wat wij – mensen die opgroeiden met een tablet in de hand - verwachten van een krant. Niet zo lang daarvoor had journalist Joris Luyendijk een veelbesproken TED-talk gegeven met als titel: ‘Share your learning curve’. Geef als reporter inzicht in wat je brengt en waarom je het zo brengt.

 

Zowel de punten die Ernst-Jan aanhaalde als het delen van inzichten waar Joris het over had zijn verwerkt in De Correspondent, het project waar ze allebei aan meewerken. Zoals in de video hierboven wordt uitgelegd is De Correspondent een online nieuwsplatform dat op zoek gaat naar de grotere verbanden achter ‘Het Nieuws’, voorbij de waan van de dag. Geen snapshots van nutteloze en overbodige ‘nieuwsberichten’ maar diepgaande analyses en columns.

 

Het was Rob Wijnberg, die samen met Ernst-Jan voor NRC Handelsblad werkte, die de fundamenten van het project legde. In een betoog van duizend woorden schreef hij de kern van De Correspondent neer, waarna een heuse crowdfunding campagne begon die – na een succesvolle doortocht in De Wereld Draait Door – afklokte op een kleine 20.000 investeerders.

 

 

Een halfjaar later sta ik in A Lab, de creatieve hub waar de redactie van De Correspondent zit. Een redelijk grote ruimte maar wel eentje die in het niets verzinkt bij de redacties van De Standaard of NRC Handelsblad. Een tiental mensen zit rustig op computers te tokkelen, een enkeling staat koffie te drinken. Heilige grond voor mij.


Zoals ik vroeger de papieren krant verslond, zo ga ik nu om met de stukken van De Correspondent. Ik bestook vrienden en professoren met artikels die ik boeiend vond, discussieer thuis tot in den treure over nieuwe inzichten die ik op het platform las en tweet naar de auteurs om hen extra informatie aan te reiken.

 

Ik ben ook anders gaan nadenken over wat ‘nieuws’ is. Een ex-premier die een pikante tweet plaatst, is dat nieuws? Of een goed onderbouwde mening van iemand die op een andere manier naar de wereld kijkt? Moet informatie per definitie gratis zijn of wil ik er voor betalen? En kan je verschillende media in eenzelfde artikel combineren of leidt dat net af van de inhoud?

 

Toen Ernst-Jan zijn mini-manifest schreef was ‘Openheid’ één van de punten waar hij op hamerde want, zo schreef hij, “we laten ons niet hinderen door een muur of het ontbreken van een copy/paste-functie”. Bij De Correspondent is dat niet het geval: in principe kunnen niet-leden geen artikels lezen, tenzij die door iemand worden gedeeld. In principe. In praktijk is het echter vrij eenvoudig om alle artikels gratis te lezen, met dank aan bots en de journalisten zelf, die trots zijn op de stukken die ze schrijven en ze bijgevolg willen delen. En daar is niets mis mee - maar het ondergraaft wel een beetje hun businessmodel.

 

 

Op de redactie valt een gigantische rode muur op, waar het logo van De Correspondent op werd geschilderd. “Een heel simpel idee, maar het werkt wel. Iedere fotograaf die langskomt wil een portret van Rob voor dat logo”, zei Harald Dunnink me bij mijn vorig bezoek aan Amsterdam. Met zijn bedrijf Momkai is hij verantwoordelijk voor het technisch en grafisch aspect van De Correspondent – en dus ook voor hoe De Correspondent als ‘merk’ overkomt.

 

En dat doen ze goed. Hoe kan je er anders in slagen om mensen te laten betalen voor een product waarvan ze altijd uitgingen dat het gratis was? Geschreven door mensen die ik van toeten noch blazen kende, een enkele uitzondering nagelaten? Simpel: door voor een meerwaarde te zorgen. Wat die meerwaarde precies is en zou kunnen zijn, daar ben ik nog niet helemaal uit.

 

Zijn het de artikels, die je officieel enkel als lid kan lezen? Misschien, al is het zeer eenvoudig om die ook als niet-lid te verkrijgen. Bovendien moet je als lid ook wat moeite doen om de artikels te zien, want op de sociale media deelt De Correspondent er zelf niet zo veel. Door je te abonneren op de nieuwsbrief word je al wat ‘gedwongen’ om ze te lezen of door, zoals ik deed, De Correspondent als startpagina in te stellen ook. Heerlijk old skool.

 

De inzichten die worden aangereikt zijn doorgaans razend interessant maar De Correspondent kan nooit het enige nieuwsmedium worden dat je raadpleegt. Geen enkel medium kan dat nog. Wie enkel het nieuws via Twitter zou volgen krijgt een zeer raar wereldbeeld, net als de mensen die alleen naar De Standaard Online zouden surfen. Waarin zit de meerwaarde dan wel?

 

Terwijl ik door het raam van De Correspondent naar de veerboten op het IJ staar hoor ik Rob met beeldredactrice Sterre Sprengers praten. Vol enthousiasme – ik zie twee armen wild maaien achter een iMac – praat hij over de Correspondent-avond van gisteren. Maite Vermeulen, met haar 24 jaar de jongste van de redactie, is Correspondent ‘Conflict & Ontwikkeling’ en mocht dinsdag een eigen bijeenkomst organiseren. Samen met enkele experten ging ze dieper in op de oorlogen in Mali en Syrië, twee topics waar ze de voorbije maanden over schreef. Leden van De Correspondent konden er quasi gratis naartoe en gingen – als ik Rob mag geloven – met plezier mee in de discussies.

 

Dat is misschien wat mij het meest aantrekt in De Correspondent: de interactie tussen journalisten en lezers, die als experten worden gezien. Is de schrijver op zoek naar extra informatie of een geschikte contactpersoon? Dan geven de lezers met plezier tips - geen enkele andere nieuwssite heeft zo’n beschaafde commentaarsectie als De Correspondent. Niet omdat de lezers beter zijn opgevoed maar omdat ze hier het gevoel hebben dat hun input wél belangrijk is.

 

Daarom dat het – volgens mij – belangrijk is dat De Correspondent de komende maanden nog dieper ingaat op het uitbouwen van dat gevoel. Dat kan online, door reacties van lezers te gebruiken als basis voor stukken, door leden een soort digitaal magazine te laten maken van artikels die zij zelf relevant vinden… maar evengoed offline. Organiseer niet alleen een Correspondent-avond, maar ook een Correspondent-‘festival’. Eentje waar je met een hotdog in de hand naar grote namen als Robert Fisk, Glenn Greenwald, Nick Davies en David Carr kan luisteren. Print af en toe. De boekjes van De Essentie sluiten perfect aan bij wat De Correspondent doet: op een beknopte manier een diepgaand inzicht in de actualiteit bieden. Ga met hen in zee of probeer hetzelfde te doen.

 

 

Een paar weken geleden zaten Rob, Harrald en Ernst-Jan in New York waar ze door de beroemde professor Jay Rosen waren uitgenodigd. Een Amerikaanse versie van De Correspondent is nog niet voor meteen, vertelt Ernst-Jan me, maar de kans bestaat wel dat er wat Vlaamse correspondenten worden aangenomen om ook een Vlaamse insteek aan het platform te geven.

 

Ik ben benieuwd!

Comments