Ljosmyndun is fotografie. 1992. Droomt van de toekomst.
Wil een Eames Lounge Chair om in te lezen.
Werkt bij Filmfestgent, Wannabes, Sphinx & Schamper.
augustus 29th
13:48

I can’t go on / I’ll go on

 

Liefste Thomas,

 

Het moet zowat een jaar of twee geleden zijn dat we elkaar begonnen volgen op Twitter. Nu klinkt dat lullig, na al wat er gebeurd is.

 

Jij, beloftevol schrijver, op handen gedragen als opkomend talent. Verhuisd van West-Vlaanderen naar het verre Leiden en Amsterdam. Ik had geen boek van je gelezen, maar zag in mijn favoriete dag- en weekbladen soms een interview met je passeren.

 

Ik las ze met plezier, die interviews. Ondanks het feit dat ik je niet kende hadden we vaak een-tweetjes op Twitter. Zo gaat dat, op een sociaal medium. Het waren steeds korte flarden, die me om de een of andere reden bijbleven. Lag het aan je profielfoto, waarop je me zo indringend aanstaarde? Lag het aan je zelfspot? Met jou wou ik wel eens een pint gaan drinken, dacht ik geregeld toen ik je hoofd in mijn tijdlijn zag opduiken. Het is een voorstel dat me af en toe te binnenschiet, maar dat ik veel te weinig effectief uitvoer. In mijn fantasie zouden we samen op café gaan met Maarten Inghels, Geert Zagers, Ernst-Jan Pfauth en Paul Baeten Gronda. Onbewust hebben jullie allemaal één constante: jullie zijn bebaarde mannen van rond de dertig die ‘iets met woorden’ doen.

 

Toen ik eind oktober voor de eerste keer in mijn leven naar Amsterdam kwam ging ik je interviewen. Op deze blog heb ik een reeks die ik ‘Generatie Morgen’ heb gedoopt, waarvoor ik interviews afneem met jonge creatieve mensen die (te) weinig aan bod komen in de massamedia. Jij dus, vond ik. Het weekend voor ik vertrok plaatste Jef Boes een fotoreeks online die bij een interview in NRC hoorde. Boven het laken waaronder je school piepte je gezicht uit. Twee doodvermoeide ogen, die me nog steeds even indringend aanstaarden. “Ik geloof heilig in het adagium: doe elke dag iets waar je bang voor bent”, zei je in het stuk.

 

Hoe ben je van je liefdesverdriet afgekomen? 
“Jaren geleden ging ik naar McDonald’s. Ik voelde me bij voorbaat schuldig tegenover de planeet én mijn lichaam. Maar toen draaide het meisje achter de kassa zich om. Je verwacht het niet, want ze had zo’n polo en een klep, maar ze was héél mooi. Toen besefte ik: er zijn zo veel mensen die fantastisch zijn. Ik zal ze nooit allemaal ontmoeten, laat staan zoenen, maar dat geeft niet. Achter de hoek, in de rij, kan iets zijn wat de moeite waard is. Dat heeft me altijd gaande gehouden.” (NRC, 21 oktober 2013)

 

Nog geen vierentwintig uur nadat Jef zijn foto’s op Facebook had gepost verscheen plots een bericht op verschillende nieuwssites.

 

Je hart was gebroken. Een scheur in een nooit geziene ader, zou je vriend Daan Heerma Van Voss later zeggen.

 

image

 

“Nu ik op bètablokkers zit, vind ik Arvo Pärt nog beter. Ik vergeet hem gewoon al een halve dag uit te zetten” was het laatste wat je die dag op Twitter had gepost. Achteraf gezien een van de mooiste laatste uitspraken die een mens in minder dan 140 tekens kwijt kan. Welke compositie beluisterde je? Spiegel im Spiegel? Minder bekend werk? Na je tweet heb ik de muziek van Pärt zeer vaak beluisterd. Ook nu, terwijl ik op het bed zit van de vriendin bij wie ik slaap.

 

Ik heb de afgelopen drie maanden naar puzzelstukken gezocht om mijn beeld van je completer te kunnen maken. Voor mezelf, maar ook omdat ik over je wou schrijven. Geen ‘Generatie Morgen’, maar een ‘Generatie Die Nooit Morgen Is Mogen Worden’.

 

Ik klopte aan bij vrienden van je. Liet je naam vallen in gesprekken met mensen die je gekend hebben. Toen ik met Nina Polak in Café Amsterdam zat vertelde ik haar over mijn zoektocht naar het grotere plaatje. Ze keek weg, zuchtte, glimlachte. “Thomas verzwolg in de liefde en romantiek”, zei ze terwijl haar ogen zesenzeventig emoties tegelijk uitdrukten. Ze haalde anekdotes aan over cafégesprekken, aarzelde, sprak over haar ongeloof. Vijfendertig jaar, Thomas, vijf-en-der-tig.

 

Al die maanden tussen je overlijden en mijn verhuis van West-Vlaanderen naar Amsterdam – dezelfde tocht die jij vijftien jaar voor mij had gemaakt – had ik bewust niets van je gelezen. Je drie romans schreeuwden me toe in de boekenwinkel, maar toch bleef ik het ultieme moment voor me uitschuiven. Ik wilde het fictieve beeld dat ik van je had behouden.

 

Stiekem hoopte ik dat ik je boek maar niets ging vinden. Dat er een barst in mijn ideaalbeeld ging komen. Niet dus. ‘Het West-Vlaams Versierhandboek’ was fantastisch. De ironische voetnoten bijvoorbeeld, waarin je jezelf op magistrale wijze tackelde. Het absurde verhaal, in de stijl van Joost Vandecasteele. Maar beter. Een kleine parel over je heimat, waarin de grens tussen letter en leven plots zeer flou werd. Het begin van wat een mooi en uitgebreid oeuvre kon worden – nu is het vooral mooi en onaf.

 

“Voor me zit een man die veel moeders stiekem als ‘de ideale schoonzoon’ bestempelen: charmant, welbespraakt, intelligent - hij citeert met evenveel gemak Sasha Grey als Roland Barthes – en met een sprankel jongensachtige guitigheid die getemperd wordt door een onmiskenbare ernst en ambitie.” (Knack, 28 augustus 2013)

 

Het is intussen nacht geworden en ik dwaal rond langs de grachten van Amsterdam. Deze stad is doordrenkt van de literatuur. Wanneer ik achter het raam een magere heer zie, beeld ik me in dat het Harry Mulisch is. Terwijl ik slenter van de (Slag om de) Blauwbrug tot de (Gondel in de) Herengracht voel ik me een personage uit de boeken van A. F. Th. van der Heijden. En daar, voorovergebogen over het stuur van zijn fiets, is dat niet Joost de Vries?

 

Jij was een spons die boeken verslond. “Het mooie van lezen is dat je het overal en altijd kunt doen. Met boeken is eenzaamheid vrijheid, grenzeloos”, zei je ooit. In Nederland maakte je mensen wijs dat je de zoon van Hugo Claus en Sylvia Kristel was. Als je verhuist kan je een nieuw leven beginnen. Eén van de bekendste fotografen van Vlaanderen heeft na een verhuis naar een andere stad plots een andere naam aangenomen, maar de mensen die het weten zijn op één hand te tellen. Misschien moet ik mijn Nederlandse vrienden ook wat op de mouw spelden. Het is nog niet te laat.

 

image

 

“Ja, Thomas…” zei Veerle van De Brakke Grond, het toevluchtsoord van Vlamingen in Amsterdam. We zaten in het venster van een grachtenpand met een glas wijn van de eerste warme dag te genieten. Het was 21 juni, de dag waarop je jarig zou zijn geweest. Het begin van de zomer. Veerle’s ogen hadden dezelfde troebele blik als die van Nina toen ze over je praatte. Ze vertelde dat je vaak in De Brakke Grond kwam. Ze hebben er dan wel geen Westvleteren, maar ik kan me levendig voorstellen dat je er geregeld vertoefde. Een plek waar je de Vlaamse gazetten kan lezen, met nieuws uit de streek waar wij allebei vandaan komen.

 

Toen je overleden was hebben ze in De Brakke Grond een avond georganiseerd waarop men verhalen van je voorlas. Yannick Dangre was er, en Hanna Bervoets. Je vriend Roderik. Ik vermoed dat ook je nieuwe liefde er was, het meisje dat in alle gesprekken die ik had aan bod kwam. Niemand heeft haar bij naam genoemd, maar door tussen de regels door te luisteren vielen sommige puzzelstukken bij elkaar.

 

Toen ik bij fotograaf Jef Boes polste of ik zijn foto’s bij dit stuk mocht gebruiken en wat hij daarvoor in ruil wou, vroeg hij of ik hem even kon bellen.

 

Wanneer ik hem de volgende ochtend bel hoor ik op de achtergrond gestommel en de stem van Katelijne, de vrouw van Jef. “Voor een stuk in Focus Knack was ik naar Amsterdam getrokken om er foto’s te maken van Thomas”, vertelt Jef me. Toen ik net was toegekomen in z’n appartement was hij heel onwennig. We rookten een sigaretje, dronken koffie, rookten nog een sigaretje, dronken nog meer koffie. Uiteindelijk hebben we meer dan twee uur zitten praten over de meest uiteenlopende dingen. Blijkbaar hadden we een hoop gemeenschappelijke maten, gasten die uit onze streek kwamen.”

 

“Voor de foto wou ik werken rond het ‘versieren’ dat in Thomas’ boek aan bod komt. Gewoon wat onnozel doen, in dat bed.”

Een paar weken later kreeg Jef telefoon van Thomas. “Mijn vriendin woont in Antwerpen, maar wil een foto van me boven haar bed. Zou ik die foto mogen krijgen om er een print van te laten maken?”, klonk het.

 

Nog een paar weken later kreeg hij via Facebook een bericht van een vriend. Of hij het gehoord had, van Thomas. De foto die Jef van Thomas had genomen werd door talloze media gebruikt en blijft, wellicht nog jarenlang, een van de meest speciale portretten die hij ooit zal gemaakt hebben.

 

Het ga je goed, Thomas

 

Thomas

Comments
augustus 20th
19:13

La Grande Mosquée

image

 

Een van mijn favoriete schrijvers bij De Correspondent is Dick Wittenberg. In België had hij al op brugpensioen gemogen – hij is drie keer zo oud als ik nu ben – en toch schrijft hij voor een innovatief platform als De Correspondent. Respect. Officieel maakt hij artikels over Afrika, grenzen, ongelijkheid en armoede, maar zijn beste stukken zijn die waarin hij ‘rondhangt op een plek waar iedereen wel eens komt, maar niemand het fijne van weet’. Ik probeer het eens anders aan te pakken: een plek waar veel volk passeert, maar niemand binnengaat. De moskee in Parijs.

 

Op een steenworp van mijn favoriete boekenwinkel in Parijs, La Hune, ligt een multiculturele wijk. Nu ja, eigenlijk is Parijs op zich al op-en-top multicultureel, maar deze wijk nog net iets meer. Geen banlieue zoals je ze op het journaal soms ziet; achterbuurten waar om de haverklap een auto in brand wordt gestoken en je zelfs overdag niet wil passeren. Nee, dit quartier ligt in het vijfde arrondissement, de oudste buurt van Parijs. Vroeger heette het Lutetia, een naam die ik uit de strips van Asterix en Obelix herken. Anno 2014 staat Lutetia, of toch een deel ervan, vol met Oosterse winkeltjes.

 

Te midden van die winkels valt een gigantisch gebouw op: La Grande Mosquée de Paris. Een plek waar veel Parisiens dagelijks passeren zonder ooit stil te staan bij de geschiedenis van het gebouw – wat zou je ook, in een stad waar de tijd in de meeste wijken al eeuwen lijkt stil te staan.

 

 

Toch is dit gebouw meer dan een hoop bakstenen met wat cement. In 1926, vlak na de Eerste Wereldoorlog dus, besloot president Doumergue om de Franse moslims te bedanken voor hun strijdlust in die oorlog. Het was de tijd waarin Ernest Hemingway, Scott Fitzgerald, Man Ray en Salvador Dali in Parijs rondliepen. Zouden zij ook gefascineerd naar de muren van deze moskee hebben staan kijken? Of liepen zij gehaast door, zoals de mensen rondom me?

 

Wie weet dronken ook zij van de mierzoete thee die geserveerd wordt op het kleine binnenplein van de moskee. In een glazen toonbank in een kleine ruimte ligt een assortiment aan gebak met vreemde namen als ghoriba, makrout en ktayef. Mannen met ongetemde baarden komen keuvelend uit een deur die naar de hamman leidt, terwijl buiten het getsjirp van musjes weerklinkt wanneer iemand een brok basboussa laat vallen. Ik ben in een wereld geduikeld die ik enkel ken uit de verhalen die ik jarenlang verslond. Prachtige boeken van auteurs met klinkende namen, waaronder Kader Abdolah en Khaled Hosseini.

 

image

 

 

Hoewel ik strikt ongelovig ben – nomen est omen – heb ik iets met religie. Ik ben mateloos  gefascineerd door de rituelen en mystiek die samengaan met geloven. Zo trok ik in Australië naar een bijeenkomst van Hillsong en maakte ik in Sint-Petersburg een Russisch-orthodoxe viering mee. Ook de Islam heeft me altijd aangetrokken, omdat ik het een mooiere religie vind dan het christendom. Een achterlijke godsdienst? Als ik Filip Dewinter en Geert Wilders mag geloven wel, maar ik laat me liever leiden door de verhalen die ik ken uit boeken en films dan door de ‘Waarheid’ die zij menen te verkondigen.

 

En zo komt het dat ik de derde grootste moskee van Europa betreed, nieuwsgierig naar wat er zich binnen de muren afspeelt. Voor het eerst ben ik in een moskee.

 

Binnen valt meteen op hoe kaal dit gebouw is: er hangt zo goed als geen versiering, op een houten luster na. Omdat ik niet verder mag kijk ik vanuit de deuropening van de gebedsruimte naar de jongeren en mannen die binnendruppelen. Daarbuiten in het drukke Parijs is het nu lunchtijd, waardoor een aantal mannen in pak en stropdas de moskee binnenkomen. Rustig doen ze hun schoenen uit, waarna ze de door gebedsruimte wandelen. Verspreid over het groene tapijt zitten verschillende groepjes. Zeven jongens, ik schat ze mijn leeftijd, zitten wat lol te maken. Dit is duidelijk een mannenbastion, waar vrouwen (en ongelovigen) niet binnen mogen. Wanneer een gebed weerklinkt verstommen de gesprekken en gaan de zeven achterwerken simultaan de lucht in.

 

Er hangt een A4’tje naast de deur. De sierlijke Arabische letters zeggen me niets, maar uit de Franse vertaling kan ik opmaken dat de aanbevolen jaarlijkse zakat 2660,50 euro bedraagt. Ik herinner me uit de godsdienstlessen die ik in het middelbaar kreeg dat de zakat een van de vijf pijlers van de Islam is: sta maandelijks een (groot) deel van wat je verdient af aan zij die het nodig hebben. Geen slappe leus zoals de Tien Geboden bij de Christenen (“Gij zult uw vader en moeder eren”), maar bittere ernst.

 

Snel reken ik voor mezelf uit hoeveel ik maandelijks aan bedelaars op straat geef. Vijf euro? Maximum? Goed voor een jaartotaal van zestig euro, en dan ben ik nog zo’n naïeveling die gelooft dat de rosse centjes die hij in een plastic beker werpt ook effectief iets uitmaken.

 

In een zijvleugel van de moskee zit een kleine bibliotheek, waar ik drie oude vrouwen tegenkom. Hoewel ze duidelijk van Franse origine zijn lezen ze luidop enkele Arabische zinnen voor, die in boeken met prachtige rugbanden staan opgeschreven. In de binnentuin klinkt nog steeds het getsjirp van de vogels die vechten om een stuk gebak.

 

image

 

Terwijl ik dit stuk neerpen scroll ik op Twitter voorbij berichten over de dood van journalist James Foley. De propagandafilm van zijn onthoofding staat integraal op YouTube, beelden die ik – jammer genoeg - nooit meer ga vergeten. “It’s lucky that video didn’t have a unlicensed Katy Perry song as a soundtrack or it would’ve been deleted from YouTube in seconds”, tweet iemand cynisch.

 

De moord werd gepleegd door de terreurorganisatie IS, ‘de Islamitische Staat’. Koren op de molen van Islam-bashers Dewinter en Wilders, maar ik weet beter. Wie het ware gelaat van de godsdienst – en niet dat van een groep extremisten – wil zien kan beter een trip naar Parijs boeken.

Comments
augustus 6th
18:23

Zoekertje Met Foto Van Een Kat.

 

Mijn derde maand bij Blendle is begonnen – en ik mag op zoek naar een nieuwe woonplek in Amsterdam. De afgelopen maanden sliep ik bij een vriendin op een matras op de vloer en bleven mijn kleren in de valies, want een bed en kast had ik niet. Redelijk rock-‘n-roll, maar op lange termijn niet zo super comfortabel. Niet zo super legaal ook, waardoor Geert Wilders me nu weer kan afschilderen als een slechte immigrant. Vanaf 21 augustus moet ik op zoek naar een nieuwe woning, want het gebouw waarin ik verbleef wordt gesloopt.

 

Een nieuwe woonplek zoeken in Amsterdam, de stad van lange wachtrijen, verhuurmaffia en een nijpend woningtekort. De stad waar ik, ondanks die nadelen, smoorverliefd op werd.

 

Waar ik naar op zoek ben: een kamer, in het beste geval iets groter. Zolang ik maar een plek heb om een matras neer te ploffen - misschien toch maar eens een bed kopen - en me op tijd en stond eens te wassen ben ik een gelukkig mens. Uiteraard liefst in Amsterdam. Momenteel staat het kantoor van Blendle weliswaar nog in Utrecht, maar daar komt waarschijnlijk verandering in. Omdat het niet zo handig is om ergens te wonen met de gedachte dat je er binnen een maand weer uit moet is het fijn om een plek voor onbepaalde tijd te hebben. Een appartement dat ik met een andere huurder zou delen zou ook prima zijn, ik ken nog een aantal mensen die met eenzelfde budget op zoek zijn naar een woonplek.

 

Wat ik in ruil te bieden heb: ik besef dat de prijzen in Nederland een stuk hoger liggen dan in Vlaanderen. In Gent bedroeg mijn huur maandelijks een kleine 300 euro, maar voor een kamer in Amsterdam mik ik op 500 euro. Ik kan ook taarten bakken, verhalen schrijven en foto’s maken. En af en toe een Belgisch pintje meebrengen!

 

Wie help je aan een woonplek: een 22-jarige Belg die sinds een paar maanden bij Blendle aan de slag is. Daarnaast werkte ik voor het Gentse filmfestival, maak ik foto’s bij Wannabes, studeer(de) ik Nieuwe Media aan de UGent en schrijf ik stukjes voor De Morgen. Surf gerust rond op mijn blog of Twitterprofiel!

 

Heb jij een kamer of appartement dat vanaf september vrij komt te huur? Of ken je iemand die me kan helpen? Shoot! Alle reacties zijn hier welkom. Deel dit bericht gerust met je opa, je knappe zus of die ene vriend uit het middelbaar die je al jaren niet meer hoorde, want wie weet kennen zij een plek dat vrijkomt.

 

Groetjes (en alvast bedankt!),

Die Belg bij Blendle

 

Hier is een foto van een kat. Wie weet helpt het.

image

En een schattige GIF. Omdat het kan.

Comments
juni 27th
12:07

Generatie Morgen: Nina Polak

 

Iedere zomer pakt Focus Knack uit met haar ‘Generatie Nu’-reeks, waarin topjournalist Geert Zagers wekelijks op zoek gaat naar creatief talent in verschillende kunstvormen. Ik heb voorlopig nog iets minder schrijftalent dan Geert en een job bij Focus Knack is ook nog niet voor meteen, maar dat weerhoudt mij er niet van om gewoon zelf een aantal creatievelingen in de spotlights te plaatsen. Onder de noemer ‘Generatie Morgen’ probeer ik maandelijks zo’n stukje te schrijven. Zo trok ik onder andere naar fotograaf Anton Coene, topmodel Lisa Verberght en lifestylejournaliste Jet Van Nieuwkerk. Deze maand is schrijfster Nina Polak aan de beurt.

 

Toen ik onlangs in mijn favoriete boekhandel rondsnuisterde werd ik aangetrokken door een kleurrijke cover. Op de voorkant van het boek stond een vleugel van een papegaai, een illustratie van Albrecht Dürer. ‘We zullen niet te pletter slaan’, stond in koningsblauwe inkt onder de afbeelding. Een boek van, zo las ik, Nina Polak. Een van mijn favoriete ‘journalisten’ had zonder dat ik er iets van had opgevangen een heuse debuutroman geschreven.

 

Die aanhalingstekens bij het woord ‘journalisten’ staan er niet voor niets: Nina schrijft voor De Correspondent en recenseert voor De Groene Amsterdammer, maar toch is ze geen journalist in de klassieke betekenis van het woord. “Eigenlijk recenseer ik ook niet zo graag”, is een van de eerste dingen die ze me vertelt wanneer ik met haar afspreek in Café Amsterdam. “Als ik een boek echt slecht vind ga ik het niet bespreken, dat vind ik een non-ding.”

 

 

Tijdens haar studie in New York schreef Nina een verhaal dat door een Nederlandse uitgever werd opgepikt, waarna die haar vroeg om het uit te werken tot een volledige roman. “Dat schrijven ging langzaam maar logisch, ik ben niet de persoon die veel teksten schrapt”, zegt Nina daarover. Het resultaat van twee jaar schrijven is een familieroman over een atypische familie, die in korte tijd heel wat recensenten charmeerde – Cutting Edge plaatste het zelfs in de top vijf van vijf beste boeken die dit voorjaar verschenen. Omdat ik niet de persoon ben om overal grote Symboliek achter te zoeken laat ik het analyseren van Nina’s boek aan anderen over. Deze recensie, bijvoorbeeld, gaat dieper dan het gat waar die Duitse speleoloog in was gesukkeld.

 

‘We zullen niet te pletter slaan’ gaat over twee twintigers, Anna en Schard, wier moeders (ja, meervoud) scheiden. Tweehonderdtweeënzeventig bladzijden lang zoeken ze naar antwoorden, liefde en vooral: zichzelf. En nee, dit is niet een zoveelste boek over narcistische twintigers die even geen raad meer weten met het leven. Of toch niet helemaal. Het debuut van Polak is zo veel meer – en zo veel beter.

 

Het was een tijd geleden dat ik een boek met zo veel plezier heb uitgelezen. Eindelijk kon ik eens een fictief verhaal lezen dat geschreven was door een van mijn favoriete auteurs bij het journalistiek platform De Correspondent. Nina schrijft er over cultuur in de brede zin van het woord: over moderne kunst en film, maar evengoed over games en televisie. Het stuk waar ze zelf het trotst op is, bijvoorbeeld, gaat over het BNN-programma ‘De School’. “Dat artikel was een stuk persoonlijker dan de dingen die ik normaal schrijf. Sowieso is mijn werk voor De Correspondent iets vrijer dan dat voor De Groene Amsterdammer, waar alles meer afgelijnd is”, vertelt ze.

 

In de voorjaarscatalogus kondigde uitgeverij Prometheus het boek aan met een paginagrote advertentie waarop ‘De geboorte van een nieuwe stem in de Nederlandse letteren’ stond. Een tikkeltje pretentieus, maar er zit wel een grond van waarheid in. Bij Nina geen cynische vertelstijl, maar een geestige en vlotte mix waarbij het Nederlands doorspekt wordt met Engelse woorden - een perfect logische combinatie in Amsterdam, merkte ik bij Nederlandse vriendinnen. Wanneer ik Nina vertel dat ik haar boek heel Nederlands van toon vond kijkt ze me verbaasd aan. “Is dat zo? Ik heb gezocht naar een toon die paste, die waarachtig voelde. Je kiest een verteller voor het verhaal, en in dit geval wou ik dat die niet cynisch of naïef.”

 

 

 

Het meisje dat me vol branie aanstaarde op de achterflap van haar boek oogt ‘in het echt’ een stuk rustelozer. Ik vertel haar dat ik tijdens het lezen steeds het gevoel had dat Schard, het mannelijke hoofdpersonage, op haar eigen gevoelens was gebaseerd. Schard vlucht halsoverkop naar India, de liefde achterna, maar keert ontgoocheld terug naar Nederland. Daar hopt hij onrustig door het leven rond.

 

Net als hij leefde Nina de voorbije maanden vanuit haar reiskoffer en had ze geen vaste woonplek. “Jij bent de eerste die me dat zegt. Gek, want mijn vriendinnen zeggen me steeds dat ik Anna (het vrouwelijke hoofdpersonage) ben, maar dat is helemaal niet zo”, vertelt Nina.

 

Nina vergelijken met het vrouwelijke hoofdpersonage Anna, zoals haar vriendinnen en zowat alle recensenten doen, is te voor de hand liggend. Anna – en zowat elk personage in het boek – is heel ambigu wanneer het op seksualiteit aankomt, net als Nina zelf. Ze is lesbisch, of toch weer niet. Weet ze, denkt ze. Nina twijfelt. “Laatst deed ik een radio-interview, waarbij al in de eerste minuut gevraagd werd of ik een kinderwens had. Ik was compleet overdonderd en wist niet wat te antwoorden. Omdat ik van nuance hou vind ik het heel moeilijk om stelling te nemen”, zegt ze.

 

Wanneer ik het stuk opnieuw beluister hoor ik haar, ietwat aarzelend, zeggen dat ze een kinderwens heeft. De vele pauzes en haperingen in het gesprek maken het mooie middernachtradio, waar de stem van Nina perfect bij past.

 

In het interview verwijst ze ook naar een stuk van Joost de Vries, die naast collega ook een vriend van haar is. Toen hem laatst in De Morgen gevraagd werd welk boek hij voor deze zomer aanraadde, noemde hij Nina’s boek. “Polak schrijft warm, liefdevol – welke debutant durft dat tegenwoordig nog?” klonk het.

 

Horen auteurs niet te willen concurreren? Moeten ze elkaar niet overtreffen, door in interviews steeds naar de ander uit te halen? De ruzies tussen Arnon Grunberg en A. F. Th. Van der Heijden zijn legendarisch, en ook andere schrijvers waren vooral berucht omwille van hun hautaine gedrag. Niet zo bij Polak, de Vries – goed voor de Gouden Uil 2014 – en hun schrijvende vrienden, met wie je zo een pint kan gaan drinken. “Onder dichters is het al jaren normaal dat er vriendengroepen zijn, maar onder schrijvers is dit volgens mij wel iets unieker”, zegt Nina. “Dat kan te maken hebben met evenementen als Literaturfest, maar volgens mij is vooral het literaire blad Das Magazin zeer bepalend geweest”. Dankzij dat blad is het belachelijk hip geworden om boeken te lezen en schrijven. Of, zoals auteur Pael Baeten Gronda het in Focus Knack verwoordt: “Je zou haast gaan vermoeden dat het schrijversleven nu even rock-‘n-roll is als dat van glamrockers in de seventies.”

 

Typerend voor Joost de Vries zijn z’n talloze referenties naar andere boeken of films, iets wat bij Nina net iets minder het geval is. “Al heb ik wel veel inspiratie gehaald uit ander werk. Het toneelstuk ‘Angels in America’ van Tony Kushner, bijvoorbeeld, heb ik bijna archeologisch bestudeerd”, zegt ze. Al snel dwaalt ons gesprek af naar films, zeker wanneer blijkt dat Nina een even grote fan van Pedro Almodovar is. “Hij brengt ernstige thema’s op een heel lichtvoetige manier. De slotscène in mijn boek is ook heel filmisch en over the top, een beetje zoals in zijn werk. Het zit tegen het kitscherige aan, maar het is een kwestie van doseren”

 

image

 

Uit een eerder interview leerde ik dat Nina ei zo na een academische carrière was begonnen. Gelukkig heeft ze die keuze niet gemaakt en wordt haar werk nu door meer mensen gelezen dan de papers die ze anders zou hebben geschreven. De eerste druk van haar boek is bijna uitverkocht, in het voorjaar gaat ze zich een paar maanden volledig aan een nieuw boek wijden. Net als haar hoofdpersonages zal Nina Polak niet te pletter slaan. Ze zal doorgaan (met de stootkracht van de milde kracht).

Comments
juni 23rd
20:10

Doe ik het goed, Geert?

 

Geachte meneer Wilders,

Hoi Geert,

 

Enkele maanden geleden zag ik op YouTube een video waarin u de hoofdrol speelde. Met de handen in de zakken stond u, licht glimlachend, voor een volle zaal in Den Haag. De opgewekte man naast u klapte de ziel uit zijn lijf, net als de rest van het publiek. Een spreekkoor golfde door de zaal, als een mantra dat steeds herhaald moest worden. “Minder, minder, minder!”

 

Ik slikte. Zopas had een zaal aanhangers van uw partij – die in sommige grote steden de meerderheid haalt – aangegeven dat ze geen vreemde mensen in Nederland wilden. Het ging dan wel om Marokkanen, maar dat was voor mij een klein detail. Ik ben er sinds kort namelijk ook één, zo’n immigrant in Nederland.

 

Nu ik een kleine maand in Amsterdam woon leek het mij gepast om eens een tussentijdse evaluatie te houden. Gewoon, van burgervader tot burgerzoon, om even te checken of we op dezelfde golflengte zitten. Ik wil immers geen valse start maken en doe mijn uiterste best om zo goed mogelijk in uw land te integreren.

 

image

 

Al bij de eerste kennismaking ging het mis. Toen ik in de bus – rugzak op, helemaal bezweet - naar de weg vroeg, werd ik spontaan in het Engels geholpen. Zelfs toen ik in mijn beste Hollands probeerde te praten bleef men volharden door in het Engels te antwoorden. Ik voelde me, zoals Sting zou zeggen, een Engelsman in New York. Intussen heb ik me er al lang bij neergelegd dat Nederlanders de helft van mijn woorden niet kennen – “Sebiet? Wat zeg je, wiet?” of “De voormiddag? Is dat dan om 13 uur?” – en vraag ik niet langer waar ik ‘geld kan afhalen’ en ‘of iemand nog een pintje wil’.

 

Doe ik het goed, Geert? (Mag ik Geert zeggen? Ja hé?)

 

Om zo min mogelijk op te vallen bestudeerde ik nauwgezet wat de lokale bevolking in haar mandje bij de Appie keilde, om daarna hetzelfde te kopen. Zo verslond ik in enkele weken tijd liters vla, kilo’s stroopwafels en peperkoek. Ik trok in de Febo meermaals een kroketje uit de muur – met mosterd, zoals het blijkbaar hoort – en dronk zelfs een Heineken. Ik ben er nog steeds niet goed van.

 

Is dit integratie, Geert?

 

Toen ik merkte dat Nederlanders zich niet te voet verplaatsen trok ik voor dag en dauw naar het Waterlooplein waar ik voor een appel, een ei en een oranje bankbiljet een fiets kocht. Geen pompeus model met lichten of versnellingen, maar een stuk onversneden Hollandse trots met een terugtraprem. Volgens de locals had ik een (gestolen) fiets moeten kopen van een junkie, maar alleen een kniesoor die daarop let.

 

Zo moet het toch hé, Geert?

 

image

 

Toch zijn er nog enkele werkpuntjes. Dingen waar ik voorlopig nog wat raar van opkijk, maar die binnenkort wel zullen wennen. Zo geeft elke wandeltocht door de buurt rond de Warmoesstraat me het gevoel dat ik in Sodom en Gomorra ben beland. Als de hel een selfie zou maken, dan zag-ie er zo uit. Dronken Engelsen die hun laatste bestaan als vrijgezel vieren – bij sommigen vraagt een mens zich af of ze überhaupt ooit een vrouw zullen vinden – en peepshows aan twee euro. De wietgeur die er zweeft katapulteert me steeds terug naar Dour, het prettigste festival van België. Dat dan weer wel.

 

Ook aan de gladde kakkers moet ik nog wennen. Hollanders die met een grote air aan de wereld moeten tonen dat ze bestaan, door luid te praten, een opzichtige zonnebril te dragen en liters gel in hun haar te draaien. Ik heb het wel eens geprobeerd, Geert, mijn haar na het douchen naar achteren te kammen. Gewoon om te zien of hij me stond, de Hollandse coupe douche. Van Alexander heb ik geleerd dat dit soort Nederlanders ‘corpsballen’ zijn. Een menselijke variant van braakballen, vermoed ik.

 

In zo’n momenten van zwakte vlucht ik naar De Brakke Grond, het clublokaal van Vlamingen in Amsterdam. Ik ken je nog niet zo goed, Geert, maar iets zegt me dat dit oord des verderf zo uit je ergste nachtmerries komt. Een plek waar buitenlanders kranten uit het buitenland kunnen lezen, terwijl ze met een buitenlands biertje in de hand naar buitenlandse kunst kijken.

 

Misschien moeten we er binnen een maand eens afspreken voor een volgende tussentijdse evaluatie. Ze hebben er ook bitterballen, dus daar hoef je niet mee in te zitten. Ik trakteer!

Comments
juni 3rd
20:13

"De passie om iets groots te verwezenlijken is groter dan de angst om te mislukken"

 

In november 2013 zat ik in mijn eentje op de trein naar Amsterdam. Ik wist niet waar ik zou slapen en ik wist niet wat ik ging doen. Op mijn blog schreef ik een klein bericht, waarna ik enkele mensen mailde die ik ‘van op televisie’ kende. Of ik hun verhaal mocht neerschrijven, vroeg ik. Dat ik maar een jonge en onbekende blogger was, zei ik, die op zoek was naar antwoorden die hij in zijn teleurstellende opleiding niet vond.

 

Tot mijn verbazing kreeg ik heel wat positieve mailtjes terug, waarna ik twee dagen lang op bezoek mocht bij organisaties en personen waar ik veel van leerde. Ik was zo blij met mijn trip naar Amsterdam dat ik twee maanden later nog eens naar het Hoge Noorden trok, om op bezoek te gaan bij modeblogster Rebecca Laurey, De Correspondent en Blendle. Stuk voor stuk fantastische gesprekken. Vooral die twee laatste startups – die gebruik maken van het internet om geschreven nieuws op een innovatieve manier te brengen - liggen me heel nauw aan het hart. Zo nauw, dat ik ze per sé wou overhalen om begin mei in Gent te komen spreken, wat me is gelukt.

 

Wat er tussen dat eerste bezoek en nu is gebeurd kan ik me niet meer herinneren, want plots ging alles snel. Een paar weken geleden zei Alexander van Blendle me dat het “wel leuk zou zijn als ik bij hen zou komen werken”, amper een kleine maand later was ik al met mijn volledige hebben en houden naar Amsterdam verhuisd. Plannen om met vrienden in Gent te gaan samenwonen werden opgeborgen en ook mijn zomer werd, in zoverre dat nog mogelijk was, herschikt. Mijn resterende schoolwerk – één examen en een thesis – zal tussendoor gebeuren.

 

image

 

 

Het afgelopen halfjaar heb ik vaak nagedacht over wat ik zou doen nadat ik was afgestudeerd. Was ik goed genoeg om fulltime als journalist aan de slag te gaan bij een kwaliteitskrant? Nu al? Of zou ik gaan werken bij een pr-bureau? Urenlang sprak ik met mensen om te bepalen wat me het beste zou liggen. Er waren een aantal vrij concrete voorstellen bij een paar bedrijven, maar ik bleef twijfelen. Aan mezelf, mijn kunnen en het werk.

 

Toen Alexander me voorstelde om bij Blendle te komen werken heb ik de kans met beide handen gegrepen. Ja, als ik in Vlaanderen was gebleven had ik meer zekerheden gehad. En ja, bij die Vlaamse bedrijven had ik waarschijnlijk een stuk meer verdiend dan wat ik momenteel krijg – startups zitten nu eenmaal niet op een berg vol goud. Maar wat heb ik met een paar honderd euro extra als ik op mijn werk geen verantwoordelijkheden kreeg? Geen uitdagingen en moeilijke klussen?

 

In de eerste mails van Alexander en Marten was de omschrijving van wat ik bij Blendle zou mogen doen best vaag, al is dat intussen een stuk concreter geworden. Ik ga mee de algemene strategie bepalen: waar kunnen we met Blendle heen? Dat kan je zowel figuurlijk (nieuwe features) als letterlijk (andere landen) interpreteren. Test het platform dus gerust uit en laat me weten wat er volgens jou nog ontbreekt of beter kan (mailen kan naar thomas@blendle.nl, su-per-professioneel)! Naar analogie met Marten ‘Eindbaas’ Blankesteijn en Laurens ‘Tostibaas’ Carbo‘ heb ik mezelf op Twitter intussen ‘Belgbaas bij Blendle’ gedoopt.

 

Sommige vrienden en kennissen waren sceptisch. Plots werd ik in een wereld gekatapulteerd die een stuk minder eenvoudig in elkaar zit dan ik tot nu toe dacht. “Maar hoe ga je het in Nederland dan regelen met je socialezekerheidsbijdragevergoedingsbelastingbonuspunt? En met de RVA?” waren vragen die anderen – laat ik ze voor het gemak ‘ouders’ noemen – me stelden. Blijkbaar is het niet zo dat wanneer a) iemand je in dienst wil nemen en b) jij daar zin in hebt, dat  zonder administratieve rompslomp kan gebeuren.

 

Toch liet ik het hoofd niet hangen, want een kans als deze passeert niet vaak. Denk ik. Journalistiek maken is best leuk, maar het is nog veel fascinerender om een nieuwe manier te zoeken waarop die interessante stukken het podium krijgen dat ze verdienen.

 

En als er hierdoor nu geen media meer zouden zijn waarvoor ik zelf af en toe iets mag schrijven, dan heb ik altijd nog dit blogje om mijn eigen stukken op te publiceren.

 

image

 

 

Hoewel het werk nu pas echt gaat beginnen was het de voorbije weken al een heuse klus om een kamer in Amsterdam te vinden. Zowat alles wat ik vond bleek duurder uit te vallen dan verwacht, waardoor ik bijna begon te denken dat het hele plan in het water zou vallen. Tot ik naar Literaturfest ging met Dorien, de zus van Ernst-Jan die al een tijd in Gent woont. Daar stelde ze me voor aan een vriendin van haar, die tussen twee pintjes door fikste dat ik een kamer kon huren in haar appartement. Een prachtige plek in de stad waar ik door de tijd heen verliefd op ben geworden.

 

Het laatste restje zorgen van die kamerzoektocht verdween helemaal toen een collega dit weekend plots met een paar Belgische pintjes voor mijn deur stond “om te vieren dat ik was verhuisd”. Ook toen we gisteren op kantoor met een pizzaatje in de hand naar de Apple-conferentie zaten te kijken besefte ik dat ik volledig op de juiste plek zit. “Ge moet uw hier staan blinken, jong, omdat ge moogt gaan werken!” zei Yves me vorige week op Gent M – de allerlaatste die ik zou meemaken, die van morgen zal ik noodgedwongen moeten skippen nu ik in Amsterdam woon.

 

Ik heb mezelf die avond niet in de spiegel bekeken, maar ik kan wel geloven dat ik stond te blinken. Want, zoals voormalig reclameheld Guillaume Van der Stighelen het zo mooi verwoordde: “Of Blendle ooit een groot succes wordt, is een vraag waar de jonge oprichters niet van wakker liggen. De passie om iets groots te verwezenlijken is groter dan de angst om te mislukken.”

Comments
mei 31st
13:50

Rise Like A Phoenix

 

Toen ik jong was, was het doorbladeren van een fotoalbum vrij confronterend. “Ben ik echt zo groot?” Op de afdrukken torende mijn hoofd minstens een meetlat boven de lichamen van m’n vrienden uit. Ik stond slungelachtig naast de anderen, zij die zich niet moesten bukken als ze door een lage deur moesten. “Ben ik dat?” Anno 2014 schrik ik nog steeds als ik foto’s van mezelf zie, al is het nu doorgaans om een andere reden. Op onverwachte groepsfoto’s staart iedereen in de lens, behalve één jongen die aan zijn scherm is gekluisterd. “Wie is die gast? Ziet hij dan niet dat het meisje naast hem tegen hem praat? Kan hij niet, gewoon, even de verbinding verbreken?”

 

Vorige maand verschenen plots talloze doemberichten over sociale media. Nu ja, plots, al ruim een jaar verschijnt om de haverklap een video, boek of opiniestuk waarin Facebook en Twitter aan de schandpaal worden genageld. Zo zouden ze jongeren met een enorme prestatiedruk opzadelen en ervoor zorgen dat mensen geen oog meer hebben voor al het moois in de wereld. Door sociale media ontlopen we zelfs de kans om de vrouw van ons leven – zomaar, knal op straat -  tegen het lijf te lopen! Ze maken ons individualistisch, lui en hebzuchtig. Wie niet beter weet zou denken dat sociale media het ergste zijn wat de mensheid is overkomen sinds de Holocaust, de burgeroorlog in Zuid-Soedan en dat nummer van Polen op Eurosong.

 

Wanneer ik zulke doemberichten zag passeren – doorgaans worden die stukken gretig gedeeld op sociale media - kriebelde het vaak om te reageren, kansen die ik wijselijk liet passeren.

 

Wat als ik het eens op een andere manier probeerde? Aantonen dat, met een klein beetje wilskracht, het perfect mogelijk is om die o zo verderfelijke social media af te zweren, om eens te kijken of de wereld er zo veel mooier op zou worden. Tijd voor een cold turkey: een maand zonder sociale netwerken.

 

image

 

 

Iedere dag ben ik zeventien uur online. Vaak inactief – door gewoon mijn mobiel netwerk op te hebben staan – maar nog vaker actief. Wanneer ik ’s ochtends wakker word grijp ik instinctief naar mijn smartphone, die naast me ligt op te laden. De draad vertrekt van aan mijn pols richting het stopcontact in de muur, als een baxter die me met de buitenwereld verbindt. Gedurende de hele dag scroll en swipe ik mezelf een weg door de stroom aan berichten op Facebook, Twitter, Instagram…

 

Ik ben – zoals velen – verslaafd aan die sociale media, en dat is soms zeer confronterend. Toen ik voor het eerst de vriendin van mijn beste vriend ontmoette had ik meer aandacht voor die lichtgevende baksteen in m’n hand dan voor haar. Wie me die avond zou gevraagd hebben wat ze precies had gezegd, zou ik niet kunnen antwoorden. Ik ging ook niet kunnen zeggen hoe ze had bewogen, welk parfum ze droeg of hoe haar stem klonk. Wat was waar naam ook weer?

 

Een maand alle netwerken afsluiten beloofde een zware klus te worden, maar toch wou ik het – bij wijze van experiment – proberen. Op Wikipedia vond ik een lijst met sociale media waarop maar liefst zestien platformen stonden die ik geregeld gebruikte. Voortaan was het gedaan met het posten van foto’s op Instagram, het inchecken via FourSquare, de urenlange scrollsessies op Facebook, …

 

De apps flikkerde ik van mijn mobieltje, notificaties werden uitgeschakeld en voor zover ik de juiste knoppen vond schreef ik me uit voor de mails van Facebook en co. Niemand mocht op voorhand weten wat ik van plan was, want dat zou – in mijn ogen – valsspelen zijn. Dan gingen mensen er rekening mee houden, en dat was net niet de bedoeling. Vond ik. Ook de timing was bewust gekozen: een maand vol werk, schoolopdrachten en interessante gebeurtenissen (Eurosong! De verkiezingen!) die uitgebreid besproken zouden worden op sociale media. Als ik echt wou weten hoe het zou voelen, dan moest ik het nu wel doen want het is zo veel makkelijker om tijdens een strandvakantie ‘even niet naar Facebook te surfen’.

 

image

 

In mijn gekste voorspellingen vooraf zou ik zware afkickverschijnselen vertonen. Zou ik ’s nachts badend in het zweet wakker worden en liep ik constant rond met de gedachte dat ik ‘iets’ aan het missen was. In de realiteit… ging het er zo ongeveer aan toe. Of toch in het begin, en niet zo extreem. Ik betrapte me erop dat ik heel vaak onbewust mijn gsm uithaalde om doelloos rond te scrollen. Wat nu dus noodgedwongen vervangen werd door ‘het verbreken van mijn highscore in 2048, nog maar eens Temple Run spelen of kijken naar de weersvoorspelling voor Paramaribo of Oezbekistan’.

 

Toen ik voor een groepsopdracht een klasgenoot moest mailen stond ik plots voor een dilemma. Shit, hoe contacteer ik haar? Vroeger zou ik haar gewoon een bericht via Facebook sturen, wat nu niet langer ging. Wat zou haar mailadres zijn? Na een rondje googelen (‘Naam + Voornaam + Mail/Contact’ leverde niets op) drong het tot me door hoe compleet achterhaald ‘gewone mail’ wel niet was. Er was geen Witte Gids met alle mailadressen. Gebruikt iemand überhaupt nog ‘gewone mail’ voor zaken die niet vallen onder ‘een bericht sturen naar een leraar/werkgever’ of ‘even snel een mailaccount aanmaken zodat ik ergens kan inloggen’?

 

Ook bij het regelen van andere praktische zaken, waaronder de betaling van de facturen voor het huis dat ik met twee anderen deel en afspraken met mijn vrienden, merkte ik hoe afhankelijk ik was geworden van sociale media. Facebook als serieuze communicatietool, en niet louter als ontspanningsmiddel.

 

Naar ’t schijnt hadden mensen vroeger een kalender met verjaardagen op, een kleinood dat men bij voorkeur in het toilet ophing. De afgelopen weken heb ik mezelf meermaals vervloekt omdat ik niet zelf zo’n kalender had gemaakt. Hoe schaamtelijk was het toen iemand halverwege een gesprek mijn conversatiepartner kwam feliciteren met haar verjaardag en ik met mijn mond vol tanden stond. Sorry, Elke.

 

Na een week kreeg ik berichten van vrienden die me vertelden dat ik ‘op online stond’. Blijkbaar word je automatisch ingelogd van zodra je een applicatie gebruikt waarmee je ooit Facebook hebt verbonden – bij sommige programma’s kan ik me zelfs niet herinneren dat ik het ooit deed. Op Skype en op mijn gsm ben ik bijvoorbeeld in staat om een status op Facebook te posten zonder dat ik naar het platform moest surfen, wat een hoop vragen bij me opriep. Wat heeft Microsoft hier bij te winnen? Betaalt Facebook hen hiervoor? Hebben ze bij Facebook ook inzicht in mijn lijst van contactpersonen op Skype? De foto’s op mijn gsm? Mijn documenten die ik op OneDrive (de Dropbox van Microsoft) bewaar?

 

image

 

Mijn cold turkey viel me mentaal toch een stukje zwaarder dan ik vooraf had verwacht. Het is echt niet zo dat ik nu plots massaal tijd had om te sporten, lezen of oude hobby’s terug op te pikken. Het is ook niet zo dat ik nu in één ruk mijn thesis kon afwerken. Toch ervoer ik na een week of twee een moment waarop ik het eigenlijk best leuk vond. Eindelijk niet meer overspoeld worden met het geroep en getier bij de scoutsgroep die Twitter is, geen brij aan foto’s van ‘perfecte levens’ op Instagram (Ontbijt op bed: check. Vogue naast een vers geperst fruitsapje: check. Haar ligt non-stop goed: check. Uren aan een stuk veel te dure terrasjes doen: check). Sociale media hebben me een stuk cynischer gemaakt dan ik eigenlijk wil zijn, en het deed deugd om er eens een maand afstand van te kunnen nemen.

 

Toch viel met het ontbreken van Facebook en Twitter mijn ‘raam op het internet’ in duigen. Plots was het Wereld Wijde Web weer een grote, duistere en onvatbare plek geworden. Waar moet je in godsnaam kijken om interessante of grappige dingen te vinden? Ik heb wel een dagelijkse routine van nieuwssites, maar wat met websites die ik niet bezoek? Wie weet stond er wel een steengoed artikel op The New York Times, dat ik niet kon lezen omdat ik niet zag dat een vriend het me aanraadde. Sociale netwerken prikkelen en inspireren – en dat wordt veel te weinig belicht.

 

En dat is ook wat ik zelf het liefste doe (en het hardst heb gemist): interessante of grappige dingen delen. Toen ik in het vierde middelbaar door mensen van het CLB het etiket ‘ADHD’ kreeg opgestempeld moest ik met een psychiater gaan praten. Een vriendelijke vrouw die onrealistische verwachtingen van me had. “De leerkrachten klagen dat je, wanneer iets je te binnen schiet, dat meteen wil delen met de persoon die naast, voor of achter je zit. Wat als je eens probeerde om zo’n grappen, tips of anekdotes op een briefje te schrijven zodat je het na de les aan je vrienden kan vertellen?” Een volledig ridicuul idee aangezien een mop staat of valt met het moment waarop je hem vertelt. Het sloeg helemaal nergens op om tijdens de pauze mijn makker aan te klampen en “Weet je nog dat moment waarop de leerkracht dit zei? Wel …” te zeggen.

 

Datzelfde gevoel had ik toen ik deze maand schitterende series – Silicon Valley op HBO! – en schrijvers – Nina Polak! – ontdekte. Moest ik nu werkelijk alles op een briefje schrijven, om er pas na een maand mee aan de slag te gaan? Of zou ik…? Plots begreep ik ze, de mensen die vroeger zogenaamde grappige powerpoints vol mopjes doorstuurden. Een soort 9Gag avant la lettre. Ik bestookte vrienden met mails vol interessante of grappige dingen en kreeg negen op de tien keer het deksel op de neus. “Die amateuristische video van N-VA West-Vlaanderen? Sjeezus, Thomas, waar kom jij nog mee af, dat ding ging gisteren al keihard viral.”

 

Ook op mijn blog wil ik meer gaan delen. Onbekende organisaties en jongeren aan het woord laten die in de traditionele media het podium dat ze verdienen niet krijgen. Als je op die media zou moeten afgaan krijg je het beeld dat er in Vlaanderen maar een handvol jongeren met ‘straffe dingen’ bezig zijn. Of je krijgt steeds dezelfde opinies van dezelfde mensen te horen. Sociale media als alternatief voor de traditionele media die vaak niet verder durven kijken.

Comments
mei 4th
18:44

The Future is Here: Paperworks

 

image

 

Kent u het gevoel dat u online een fantastisch nieuwsstuk zit te lezen wanneer plots de internetverbinding wegvalt? Wilt u artikels ook kunnen vasthouden? Twee jonge twintigers richtten afgelopen week de startup ‘Paperworks’ op, waarmee ze online nieuwsartikels naar een offline ervaring willen brengen.

 

“Er verschijnen zo veel interessante artikels op het internet dat het bijna zonde is om die verloren te laten gaan”, zegt oplichter Thijs Vandepoele. “Met Paperworks willen we een dagelijkse bundeling maken van die artikels, waarna we die aan de lezers kunnen bezorgen.”

 

Gisterenavond zat drukpersverantwoordelijke Thomas Smolders in het NOS Jeugdjournaal, waar hij de toekomstplannen van Paperworks uit de doeken deed. “Voorlopig is het ons plan om de beste artikels aan te bieden in alle treinstations van Vlaanderen en Nederland. Op lange termijn willen we onze bundelingen in gespecialiseerde winkels verkopen, waar je ook snoepgoed en aanstekers zou kunnen kopen.” De twee jonge ondernemers deden in een reportage van de 7e Dag hun plannen uit de doeken. “Zo dromen we van een systeem waarbij iemand dagelijks een afdruk van artikels aan huis brengt, waarna je die selectie bij het ontbijt zou kunnen lezen”, klonk het uit de mond van Vandepoele. Een naam voor deze vernieuwende manier van nieuwsstukken lezen hebben de twee voorlopig nog niet maar in de wandelgangen van de startup circuleert de naam “krant”.

 

In een interview aan De Standaard zeggen de heren lang getwijfeld te hebben over de look & feel van hun product. “Aanvankelijk waren we van plan om de artikels op hout te printen, maar dat bleek te duur en omslachtig. Uiteindelijk zijn we gaan experimenteren met houtpulp, waardoor we een flinterdun soort papier konden ontwikkelen. Momenteel is het grijs, maar we spelen met het idee om financieel nieuws een ander kleur mee te geven. Roze, bijvoorbeeld, wat een mooie match zou zijn met de kostuums van zakenlui.”

 

image

 

Een papieren versie van uw favoriete nieuwssite? Voorlopig nog fictie, maar niet voor lang meer volgens de heren van Paperworks.

 

Uitgevers staan niet te popelen voor het initiatief. “Waarom zouden mensen twee euro betalen voor een bundeling van artikels die ze liever toch nooit hadden gelezen, als ze online - via initiatieven zoals Blendle - individuele artikels kunnen lezen? Bovendien kunnen lezers via die online platformen hun geld ook terugvorderen, als het artikel van een belabberde kwaliteit blijkt. Dit is uiteraard een richting die je met een geprinte versie niet uit kan gaan”, zegt Rudy Blankesteijn van De Persgroep. “We hebben het idee in het verleden ook zelf getest, maar toen bleek dat je een gedrukte versie van een nieuwssite helemaal niet kunt uitlezen op één dag. Onze onderzoeksresultaten tonen aan dat lezers vijf dagen zouden nodig hebben om één geprinte versie volledig uit te lezen. Wij blijven voorstander van een systeem waarbij de lezer betaalt wat hij leest en zelf kiest wat hij wil lezen.”

 

Toch zijn er ook positieve reacties te horen. “Online artikels kopen is zo ontzettend omslachtig. Je hebt een internetverbinding nodig, een computer, een muis… Daarnaast moet je ook klikken en loop je urenlang te zoeken naar het bakje om je bankkaart in te steken. Nee, geef mij dan maar het initiatief van die twee jongelui”, zegt André Klöpping (72). “Laatst was ik aan het surfen en er waren zo veel artikels die ik per stuk wou kopen dat ik verlangde naar een initiatief als dit: de beste stukken, door iemand met kennis van zaken samengesteld, in een tastbare vorm. Wat misschien ook interessant kan zijn is een rebus of een kruiswoordraadsel die aan de selectie wordt toegevoegd.”

Comments
15:22

Hot Cuisine de Ljosmyndun – Diner à la Gantoise

 

image

 

Soms kan een reactie op een blogpost tot een compleet nieuw concept leiden. Na mijn stuk over bakkerij Stacino dat ik ergens in september schreef kreeg ik een bericht van Pieter. We zijn allebei lid van het fotocollectief Wannabes, en we hebben allebei te weinig tijd om ons daar volledig op te smijten. Naast fotografie delen we nog een paar andere passies. De liefde voor het koken – bij mij eerder bakken – en schrijven op het internet, bijvoorbeeld. Onder de alias ‘Hot Cuisine de Pierre’ blogt Pieter over eten – en dat doet hij zo goed dat hij er zijn job van kon maken. Pieter is, in mijn ogen, een van de meest onderschatte foodbloggers van het land omdat hij op een originele manier rond zijn thema werkt. Een dessert battle tegen enkele topchefs? Voor zestig mensen een speciaal menu maken tijdens de Ronde van Vlaanderen? Pieter draait er z’n hand niet voor om. Op een regenachtige avond kwamen we samen in het café van de Vooruit om nog zo’n wild idee uit te broeden.

 

Wat als we onze krachten bundelden om een ‘Diner à la Gantoise’ te organiseren? Een etentje voor zes vrienden, gemaakt van producten die we in Gentse handelszaken hebben gekocht? Plekken waarvan de geschiedenis doorspekt is met legendes, straffe verhalen en generatieverbanden?

 

Bakkerij Himschoot is zo’n plek. Een zaak gelegen in wat volgens sommige media zowat het Gaza van België moet zijn, getuige de talloze berichten over de ‘Neuzekensoorlog’. Hier beginnen Pieter en ik onze dagtocht door Gent, vergezeld door een Franse schone.

 

Wanneer we over de dorpel stappen waait ons meteen een kaneelgeur tegemoet. De kleine ruimte is volgestouwd met eten: houten planken buigen door van de broden, chocolade, koffie van Hoorens en grote glazen potten met babelutten. Himschoot is een bakkerij met een rijk verleden, zo vertelt eigenaar Philippe ons. De legende gaat dat er al in de 17e eeuw brood op deze plek werd verkocht, geruchten die nooit zijn achterhaald. Wat wel waar is, is dat Himschoot in de Eerste Wereldoorlog zwaarder brood had dan de concurrentie, met een hogere voedingswaarde en langere bewaartijd. Een ultiem voordeel in tijden van hongersnood.

 

Decennialang werd de bakkerij overgelaten van meester op knecht, tot er eind jaren ’90 geen opvolger meer was. Philippe liep in die tijd over de Gentse Groentenmarkt, toen hij een oude schoolmakker tegenkwam. Ze raakten met elkaar aan de praat en haalden in een nostalgische bui herinneringen op aan Bakkerij Himschoot, waar nu een ‘Te Koop’-bordje voor stond. Toen ze van de toenmalige eigenaars te horen kregen dat de enige potentiële koper er een gsm-winkel van wou maken gingen beide heren iets drinken in de Mokabon, een koffiehuis wat verderop. Niet veel later stond Philippe, op dat moment nog fulltime advocaat, terug in Himschoot. Hij en zijn kameraard wilden graag een bod uitbrengen. Niet veel later was de zaak beklonken.

 

Een aankoop die hij zich absoluut niet heeft beklaagd. “Sinds 2008 zijn we bijna verdubbeld in omzet. Momenteel maken we zo’n zeven à achthonderd broden per dag in onze steenoven, die meer dan veertig jaar oud is. De oven is doordrongen van deeg en gist, waardoor dezelfde recepten in een andere oven altijd net dat tikkeltje anders zullen smaken.”

 

Philippe troont ons mee naar de lage kelders, waar het pronkstuk staat. “Momenteel werken we met een ploeg van 15 mensen. Al onze bakkers zijn allochtonen, omdat zij tenminste betrouwbaar zijn en op tijd komen. Eigenlijk is deze ruimte te klein”, zegt Philippe terwijl hij ons op de trap wijst. “Na mij gaat er waarschijnlijk niemand ooit nog een milieuvergunning krijgen om hier broden te mogen bakken.”

 

image

 

“Waar haal je in godsnaam verse groenten in een stad als Gent?”, vroeg ik Pieter die bewuste avond in de Vooruit. De laatste boer op deze lap grond is waarschijnlijk al een eeuw geleden vertrokken, maar op een steenworp (of tweehonderd) van de Grote Stad zitten er nog een paar. Kollebloem bijvoorbeeld, een boerderij die levert aan heel wat restaurants met naam en faam. In het centrum van Gent hebben ze ook twee depots waar je groentepakketten kan afhalen.

 

Om hier te geraken springen we in Pieters auto, waarna we slingerend langs kleine baantjes scheuren. We passeren Sint-Lievens-Esse, waar we afslaan bij Café Duivenlokaal. Of Duivenlokaal Café, dat is me niet helemaal duidelijk.

 

Een kleine hangar van Kollebloem doet dienst als winkel, waar je groenten ‘rechtstreeks van het veld’ kan kopen. De appels in een blauwe plastiek bak zien er misschien niet zo perfect uit als bij de Delhaize, maar smaken wel hemels. Op schappen zie ik groenten en fruit liggen waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden. Vruchten met prachtige namen als barbarakers, zoete bataat en warmoes.

 

“We hebben vier hectare waarop we telen”, vertelt boer Antoine. Officieel is hij met pensioen, zijn vrouw regelt de bed and breakfast die bij de boerderij hoort. Mensen met een plukkaart helpen hen, daarnaast werken er ook mensen ‘die in zorg’ zitten.

 

“Neem gerust een kijkje op ons land, jongens”, zegt Antoine terwijl hij de golfplaten deur van de hangar openzwaait. In de tuin zie ik een caravan staan, waaruit je ongetwijfeld een fantastisch zicht hebt op de velden. Ik heb geen idee of er iemand woont, maar het idee spreekt me wel aan. Mijn eigen groenten kweken, overdag wat schrijven. Leven alsof ik in een boek van Marc De Bel woon.

 

image

 

Diezelfde Marc De Bel-spirit hangt ook bij Het Hinkelspel, een coöperatieve in het centrum van Gent. Wat ooit begon als een kleine kaasmakerij in het Begijnhof is tegenwoordig een gevestigde naam in het Gentse – en ver daarbuiten. Het woord ‘coöperatieve’ doet denken dat Het Hinkelspel werd opgericht door een groep ‘langharig tuig’, een vermoeden dat bevestigd wordt wanneer we met de vrouw aan de kassa spreken. “Wij werken in een beurtrol, velen doen dit naast een andere job. Iedereen die aandeelhouder is heeft dezelfde stem, ongeacht het aantal aandelen.”

 

Ondanks het feit dat Het Hinkelspel 32 jaar geleden werd opgericht is het een vrij jonge zaak – zeker als je het vergelijkt met Diegenant. Al meer dan 120 jaar voorziet deze winkel talloze Gentse families van kippen, wild en gevogelte. Achter de toonbank van deze poelier – wat een prachtig woord – treffen we Kristof, telg van de vierde generatie.

 

“Mijn schoonmoeder werkt vanaf haar 14e in deze zaak, intussen is ze 68. Als ik haar zou zeggen dat ze niet meer moet komen werken zou ze meteen 10 jaar verouderen”, lacht hij. “Al is er wel veel veranderd. Vroeger stroopten we onze kippen zelf, maar nu mag je dat niet meer doen”, klinkt het. De regelgeving is dan misschien wel veranderd, het interieur is dat niet: de laatste renovatie vond plaats in de jaren ’50, waardoor de winkel zo uit ‘Van Vlees en Bloed’ lijkt te komen. Denk houten deur met mat glas, betegelde muren, schorten met streepjes en opgezette fazanten en hertenkoppen.

 

Terwijl Pieter met de echtgenoot van Kristof de beste manier bespreekt om een kip te bereiden praat Kristof verder over de zaak. “Je moet je jaar echt maken in de winter, daarna worden er rond Pasen vooral duiven en kwartels verkocht en is het rustiger. Het topmoment blijft uiteraard de kalkoenen met Kerstmis, al hebben we zeker geen reden tot klagen.” Er zal hoogstwaarschijnlijk wat concurrentie zijn van de supermarkten, maar wie waar wil voor zijn geld passeert toch bij Diegenant, zo merk ik. In welke omstandigheden heeft een kip geleefd die amper drie euro kost? Smaakt zo’n beest eigenlijk nog naar iets?

 

image

 

De recepten van het lekkers dat we maakten met alle gekochte ingrediënten staan op de blog van Pieter. Heerlijk moutijs, kip in hooi of een ‘cappucinno van biogroenten en verse kruiden’? You name it, Pieter makes it! De fantastische avond op ons ‘Diner à la Gantoise’ zou lang niet zo fantastisch geweest zijn zonder Pieter, zijn vriendin Isis, Mattias, Kristien, Joy, Britt en Maureen. Volgende keer in Antwerpen?

Comments
mei 1st
13:58

De Wereld van Daan Draait Door

 

image

 

Aan het begin van deze week zweefde ik twee dagen op een gigantische wolk ergens ten noorden van België. Gek hoe je om zes uur kan opstaan, in de trein springt, en voor je je boek uit hebt in een totaal andere, maar toch heel vertrouwde wereld kan staan. Een wereld waarin je effe met je matties naar de appie gaat. Een wereld waarin het volstrekt normaal is om in een oranje onesie over straat te lopen. Een rare wereld, maar wel een fijne.

 

Na twee jaar voorbereiding werd afgelopen maandag in Amsterdam Blendle gelanceerd, het geesteskind van Marten Blankesteijn en Alexander Klöpping. De iTunes voor journalistiek, waarover ik in februari schreef. Samen met EHRMEHGERD Marissa hielp ik maandag de lancering in goede banen leiden: we regelden de bewegwijzering, deelden drankjetons uit (“Haha, wat een grappig woord, Thomas. Zeg dat nog eens? Jetons? Haha!”) en zorgden ervoor dat alles vlot verliep.

 

Na de lancering – een zaal bomvol Nederlanders, voor sommigen zou dit een hel zijn – raceten we met een aantal naar de Westergasfabriek, waar ik een inkijk kreeg in het programma dat mijn dagelijkse kijk op Nederland biedt: De Wereld Draait Door. Heel fijn om eens te zien hoe de talkshow in het echt verloopt. Om te merken dat de vragen en antwoorden allesbehalve ‘getelefoneerd’ zijn: in de auto overliepen Marten en Alexander nog enkele mogelijke vragen terwijl Maaike – de vriendin van Marten – ervoor zorgde dat we heelhuids aankwamen. En dat Marten een proper shirt aanhad voor hij op televisie kwam.

 

Het was vrij surrealistisch, om plots in het zo vertrouwde rode decor te zitten. Terwijl andere presentatoren die ik al aan het werk zag voor de uitzending heel gefocust zijn, was dat hier absoluut niet het geval. Vier minuten voor het programma live ging vroeg Matthijs van Nieuwkerk of “iemand een liedje wou zingen”, waarop een Hollandse het lef had om bij de gastband te gaan staan en in no time de zaal volledig in te pakken. Faut le faire.

 

image

 

Wanneer ik op dinsdag ‘Torpedo Theater’ in Amsterdam binnenstap heerst er een heel andere, intiemere, sfeer. Ik tel hooguit twintig mensen, die op houten klapstoelen verspreid zitten in een kleine zaal. Iedereen lijkt elkaar te kennen, over mijn hoofd heen hoor ik mensen elkaar gedag zeggen en wat small talk houden.

 

Ik ben in dit zaaltje terechtgekomen via Daan, de huisnar bij De Correspondent. Hij zorgt er voor het streepje The Onion, De Rechtzetting én De Speld. In z’n eentje. Vorig jaar op 1 april hoorde ik – en met mij zoveel anderen – voor het eerst van Daan toen hij een valse versie van De Correspondent (dat toen nog niet was gelanceerd) had gemaakt. “Wij gaan geen journalistiek internetplatform oprichten”, stond daar onder andere op te lezen. “Daar zouden we overigens ook helemaal geen tijd voor hebben: Joris Luyendijk is chef Europa bij The Guardian, Alexander Klöpping gaat volgend seizoen een VARA-programma over computers presenteren en Femke Halsema is hard op weg burgemeester van Nijmegen te worden.”

 

Een geniale grap die ervoor zorgde dat hoofdredacteur Rob Wijnberg – de hoofdredacteur van De Correspondent – veelvuldig moest zeggen dat het journalistieke project geen grap was en er weldegelijk zou komen. Waarna hij Daan tot Correspondent Satire benoemde.

 

Een week of twee geleden tweette Daan me plots uit het niets. “Ha Thomas, stel dat ik jou iets zou willen vragen, wat is dan je e-mail?” Een beetje aarzelend – het blijft tenslotte de Correspondent Satire – gaf ik mijn mailadres, waarna Daan me uitnodigde voor een nieuw project dat hij in alle stilte had gemaakt: een hoorspel.

 

Juist, een hoorspel. Zo’n radioprogramma zonder muziek, maar met een fictief verhaal vol geluidsfragmenten. Een format waar in de Lage Landen veel te weinig mee wordt gedaan. Eentje over (de toekomst van) journalistiek, zo vertelt Daan me. Zes afleveringen die wekelijks op het Wereld Wijde Web gepubliceerd zullen worden.

 

image

 

Afgelopen dinsdag vond de première plaats, in dat piepkleine en charmante zaaltje in Amsterdam. In het hoorspel volgt Jelle Brandt Corstius – de echte, niet de fictieve – het reilen en zeilen van een kleine regionale krant. “De Bredase Gezinsbode, misschien wel de bijzonderste krantenredactie van Nederland!” kopt de VPRO-gids op het tafeltje naast me. De VPRO is, zo leerde ik ooit van jongerenmarketeer Jeroen Boschma, de omroep van de vrijzinnigen en de progressieven. De omroep die ooit als eerste een stel tieten op de beeldbuis bracht en waar anno 2014  nog steeds alles kan. Zoals het maken van een luisterspel over de toekomst van de journalistiek.

 

Plots wordt het muisstil in de zaal en gaan alle lichten uit. Daan doet zijn inleiding van achter het gordijn, omdat dat “bij de magie van het luisterspel hoort”. Langzaam gaat het doek open en wordt de spot gericht op een houten luidspreker.

 

Terwijl het hoorspel speelt merk ik dat de mensen om me heen de ogen sluiten,  zachtjes gniffelend met de talloze woordspelingen. Ook ik fantaseer me de dingen die ik niet zie zelf bij het verhaal, een beetje zoals toen ik naar de film ‘Dogville’ keek.

 

Op een hilarisch pijnlijke manier legt Daan de vinger op de talloze wonden van de journalistiek, met quotes als “Wij zijn geen journalisten, wij behoren tot de afdeling content. We verknippen persberichten die op die computer binnenkomen, waarna de afdeling sales er advertenties tussen plakt”, “Nee, sorry, ik heb even geen tijd om dat stuk te schrijven, er is een woordspelletje bezig op Twitter” en “Wat zou Rob Wijnberg doen?”

 

Daan schreef, zo hoor ik hem later vertellen, deze stukken voor hij bij De Correspondent begon. In de twee episodes die ik mocht horen zaten al enkele ironische opmerkingen over zijn huidige baas, benieuwd wat dat de volgende episodes zal geven.

 

Toen ik wegging kreeg ik nog een klein geschenkje. Een handvol stenen en een briefje waarop stond: Geluidseffect: Jelle Brandt Corstius die op het grind valt. Da’s Daan.

 

Gisteren verscheen de eerste aflevering van ‘Bureau Breda’. De komende vijf weken verschijnt hier wekelijks een nieuwe aflevering. Een absolute aanrader voor iedereen die begaan is met journalistiek!

Wie Marten en normaal ook Alexander, tenzij Facebook die dag failliet gaat, eens over Blendle wil horen praten: op 14 mei komen ze naar Gent M, een volledig gratis event in Gent! Alle info is hier te vinden.

Comments